deerlijk

als woordenboektrefwoord:

deerlijk:
bn. bw. (-er, -st), jammerlijk; bedroevend.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

deerlijk (bn):
bedroevend, beklagenswaardig, deerniswekkend, jammerlijk, klagelijk, treurig
deerlijk (bw):
danig, hevig
deerlijk (bw):
zeer, zwaar

als synoniem van een ander trefwoord:

treurig (bn) :
akelig, armzalig, bedroevend, beklagenswaardig, beroerd, deerlijk, deerniswekkend, ellendig, erbarmelijk, godsjammerlijk, jammerlijk, lamentabel, miserabel, naar, noodlottig, tragisch, troosteloos, zielig
jammerlijk (bn) :
bedroevend, beklagenswaardig, beroerd, betreurenswaardig, deerlijk, deplorabel, droevig, ellendig, erbarmelijk, hartverscheurend, klaaglijk, miserabel, schabouwelijk, tragisch, treurig, zielig
belabberd (bn) :
akelig, beklagenswaardig, beroerd, deerlijk, ellendig, erbarmelijk, godverlaten, jammerlijk, miserabel, naar, rampzalig, rottig, slecht
zwaar (bn) :
deerlijk, erg, ernstig, geweldig, grovelijk, hard, herculisch, hevig, scherp, smartelijk, sterk, verschrikkelijk, zeer
bedroevend (bn) :
betreurenswaardig, deerlijk, droevig, ellendig, jammerlijk, teleurstellend, treurig, triest, triestig, verdrietig
belazerd (bn) :
akelig, belabberd, beroerd, deerlijk, ellendig, miserabel, rampzalig, slecht
onbarmhartig (bn) :
deerlijk, ellendig

woordverbanden van ‘deerlijk’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
bedroevend, deerlijk, jammerlijk

Bedroevend — deerlijk — jammerlijk. Alle drie woorden geven te kennen, dat een toestand van dien aard is, dat hij leed veroorzaakt en het medelijden gaande maakt. Jammerlijk is sterker dan bedroevend; het slaat op den treurigen toestand van den lijder; bedroevend op den indruk, dien de daad of toestand op den toeschouwer maakt; deerlijk is eigenlijk datgene wat deert of hindert. Deerlijk komt meestal als bijwoord voor en beteekent dan in zeer hooge mate. Ik heb mij deerlijk in hem bedrogen. Hij heeft mij deerlijk beet gehad. Dat kind heeft zich deerlijk gebrand. Dat dronkenmansgevecht was een bedroevend toaneel. Het geharrewar van staatkundige partijen, die slechts door bekrompen zelfzucht worden geleid, levert voor hem, die het met zijn land wel meent, een jammerlijk schouwspel op. Aan de beteekenis dezer woorden sluit zich nauw aan die van deerniswaardig, beklagenswaardig, enz. zie Beklaaglijk.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
deerlijk, ellendig, jammerlijk, rampzalig

DEERLIJK, ELLENDIG, JAMMERLIJK, RAMPZALIG

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 26.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
ANW - WNT - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - rijmwoorden - Wikipedia - Google

debug info: 0.0039 c