dikwijls

als woordenboektrefwoord:

dikwijls:
bw. dikwerf.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

dikwijls (bw):
dikwerf, frequent, herhaaldelijk, menigmaal, vaak, veeltijds, veelvuldig

als synoniem van een ander trefwoord:

meestal (bw) :
dikwijls, doorgaans, gewoonlijk, in de regel, in het algemeen, meest, meestentijds, over het algemeen, veeltijds, veelal
herhaaldelijk (bw) :
dikwijls, frequent, meermaals, meermalen, steeds, telkens, tot vervelens toe, vaak, veelvuldig
vaak (bw) :
dikwerf, dikwijls, frequent, herhaaldelijk, menigmaal, menigvuldig, regelmatig, veelvuldig
frequent (bw) :
dikwerf, dikwijls, menigmaal, menigvuldig, vaak
meermalen (bw) :
dikwijls, meermaals, vaak, veelvuldig
veel (bw) :
dikwijls, menigmaal, vaak
veelvuldig (bw) :
dikwijls, veelal

woordverbanden van ‘dikwijls’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aanhoudend, dikwijls, dikmaals, dikwerf, gedurig, gestadig, meermalen, menigmaal, menigwerf, onophoudelijk, telkens, vaak

Aanhoudend — dikwijls (dikmaals, dikwerf) — gedurig — gestadig — meermalen — menigmaal (menigwerf) — onophoudelijk — telkens — vaak. Alle negen worden van werkingen gezegd, die zich herhalen. Gestadig geeft te kennen, dat de herhaling regelmatig geschiedt, gedurig en onophoudelijk worden bijna uitsluitend gezegd van werkingen, welker herhaling men onaangenaam vindt; aanhoudend kan zoowel in gunstigen als ongunstigen zin worden gebruikt, evenals telkens, dat bepaaldelijk te kennen geeft, dat de handeling zich zoo vaak herhaalt als de gelegenheid zich daartoe voordoet. Bij iets, dat aanhoudend of onophoudelijk geschiedt, zijn de tusschenpoozen zeer kort. Eb en vloed wisselen gestadig af, hij heeft gedurig of aanhoudend pijn (in 't laatste geval zijn de tusschenpoozen zeer kort); hij schoot aanhoudend raak; het is lastig, wanneer men u telkens komt storen; nog lastiger, wanneer men het gedurig doet, en 't allerlastigst, wanneer men het onophoudelijk doet. Meermalen, menigmaal, dikwijls en vaak geven alleen te kennen, dat de handeling meer dan eens is geschied of vermoedelijk geschieden zal; niet eens, maar meermalen; ik heb hem menigmaal gezien; dat gebeurt niet dikwijls, hoogstens eens in het jaar; hoe vaak heb je dat al gedaan? Dikwijls en vaak zijn sterker dan meermalen, en dit is weer sterker dan menigmaal. De tusschen () geplaatste woorden worden hoogst zelden en alleen in de schrijftaal gebruikt.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
dikmaals, dikwerf, dikwijls, menigmaal, menigwerf, vaak

DIKMAALS, DIKWERF, DIKWIJLS, MENIGMAAL, MENIGWERF, VAAK

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 65.

in hedendaagse spelling:
weleens, somtijds, nu en dan, meermalen, menigmaal, vaak, dikwijls, velal, meestal, merendeels, grotendeels, ten dele

WELEENS, SOMTIJDS, NU EN DAN, MEERMALEN, MENIGMAAL, VAAK, DIKWIJLS, VEELAL, MEESTAL, MEERENDEELS, GROOTENDEELS, TEN DEELE

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 193.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

dikwijls
min, sporadisch, weinig, zelden

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
WNT - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - rijmwoorden - Wikipedia - Google

debug info: 0.0042 c