hoop

als woordenboektrefwoord:

hoop:
m. (hopen), stapel, menigte.
hoop, hope:
v. verwachting.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

hoop (zn):
belt, bende, berg, boel, bom, bulk, dot, gros, heleboel, hoeveelheid, klomp, kluit, kwak, lading, massa, menigte, opeenhoping, ophoping, partij, resem, schaar, schare, schelf, schep, stapel, stelletje, tas, troep, trossel, veelheid, vracht, zooi, zootje, zwik
hoop (zn):
hope, illusie, uitzicht, vertrouwen, verwachting
hoop (zn):
houvast, redding, toeverlaat, toevlucht
hoop (zn):
drol, feces, keutel, mest, poep

als synoniem van een ander trefwoord:

opeenhoping (zn) :
accumulatie, agglomeraat, agglomeratie, aggregaat, cluster, concentratie, conglomeraat, cumulatie, gedrang, hoop, kluwen, opeenstapeling, ophoping, opstapeling, opstopping, stapel, verzameling
berg (zn) :
boel, bom, bulk, heleboel, hoop, kluit, kwak, lading, macht, massa, menigte, overvloed, pak, schep, stapel, stelletje, stoot, veelheid, vracht, zooi, zwik
partij (zn) :
batch, groep, handeltje, hoeveelheid, hoop, kaveling, lot, portie, stapel, troep, verzameling, zending
massa (zn) :
bende, berg, boel, heleboel, hoop, lawine, overvloed, slomp, stortvloed, voorraad, vracht, zootje
boel (zn) :
gedoe, heleboel, hoop, massa, menigte, mikmak, pan, rataplan, reut, reutemeteut, rommel, zwik
menigte (zn) :
boel, berg, bult, kwantiteit, hoop, overvloed, ris, rits, resem, schep, zooi, heleboel, kluit
hoeveelheid (zn) :
aantal, dosis, gedeelte, getal, hoop, kwantiteit, kwantum, partij, portie, quantum, tal
wens (zn) :
begeerte, believen, betrachting, desideratum, hoop, verlangen, wil, zin, zucht
troep (zn) :
bende, hoop, janboel, partij, reut, reutemeteut, rij, ris, rommel, rotzooi, stel
zwerm (zn) :
groep, hoop, kolonie, kudde, massa, menigte, schaar, sliert, troep, vlucht
vertrouwen (zn) :
confidentie, fiducie, geloof, hoop, krediet, overtuiging, zekerheid
uitzicht (zn) :
hoop, kans, kijk, perspectief, prospect, verwachting, vooruitzicht
klomp (zn) :
blok, bonk, brok, homp, hoop, kloef, klont, kluit, massa, slomp, stuk
verlangen (zn) :
begeerte, behoefte, drang, hoop, lust, wens, zucht
schat (zn) :
bezit, hoop, overvloed, rijkdom, voorraad, weelde
bende (zn) :
gang, gespuis, groep, hoop, horde, kliek, schare
overvloed (zn) :
boel, hoop, lading, massa, schat, schep, vracht
verwachting (zn) :
hoop, vermoeden, voorspelling, vooruitzicht
drol (zn) :
bolus, hoop, keutel, uitwerpsel, vijg, vlaai
schaar (zn) :
hoop, massa, menigte, schare, troep, zwerm
kudde (zn) :
drift, drom, hoop, schaar, school, troep
zootje (zn) :
bende, berg, hoop, massa, reut, stapel
stapel (zn) :
hoop, opeenhoping, schelf, tas
vracht (zn) :
berg, boel, hoop, massa, stapel
mijt (zn) :
hooiberg, hoop, opper, schelf
stoot (zn) :
hoop, lading, massa, troep
moed (zn) :
hoop, kracht, vertrouwen
bende (zn) :
hoop, massa, vracht, zooi
drom (zn) :
hoop, meute, troep, zwerm
kluit (zn) :
hoop, massa, menigte
dot (zn) :
bundel, hoop
tas (zn) :
hoop, stapel
belt (zn) :
ashoop, hoop
smak (zn) :
boel, hoop

woordverbanden van ‘hoop’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
hoop, massa, stapel, tas

Hoop — massa — stapel — tas. Een menigte dingen op en bij elkander. Hoop veronderstelt eene groote hoeveelheid voorwerpen, die op en door elkander liggen: een hoop steenen, een hoop hooi. Massa drukt meer uit, dat iets een ongeregeld, ongeordend geheel is; het wordt ook van vloeistoffen gezegd. Eene verwarde massa. Ook bij tas denkt men meer aan eene onregelmatige opeenhooping. Bij stapel onderstelt men doorgaans eene regelmatige schikking. Een stapel guldens = een aantal guldens netjes op elkander gelegd.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
heer, leger, macht, schaar, stoet, troep, bende, hoop, horde, dom, drommel

HEER, LEGER, MAGT, SCHAAR, STOET, TROEP, BENDE, HOOP, HORDE, DOM, DROMMEL

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 238.

in hedendaagse spelling:
hoop, stapel

HOOP, STAPEL

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 257.

in hedendaagse spelling:
hopen, hoop, wensen, wens

HOPEN, HOOP, WENSCHEN, WENSCH

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 259.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

hoop
enig, enkel, gering, pover, wanhoop, weinig

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek - verwante woorden
woordenboeken:
WNT (i) (ii) - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - rijmwoorden - Wikipedia - Google

debug info: 0.0062 c