vitten

als woordenboektrefwoord:

vitten:
(gevit), kleingeestige aanmerkingen maken.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

vitten (ww):
chicaneren, haarkloven, muggenziften
vitten (ww):
hakken, kankeren

als synoniem van een ander trefwoord:

bedillen (ww) :
bekritiseren, berispen, bevitten, gispen, kritiseren, terechtwijzen, vitten
haarkloven (ww) :
chicaneren, hakken, harrewarren, kibbelen, muggenziften, vitten, ziften
chicaneren (ww) :
haarkloven, muggenziften, vitten, zaniken, zeuren
ziften (ww) :
muggenziften, vitten
hakken (ww) :
afgeven, vitten
knorren (ww) :
vitten
kritiseren (ww) :
vitten

woordverbanden van ‘vitten’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
laken, berispen, gispen, vitten, bedillen

139. Laken — berispen — gispen — vitten — bedillen.

Een afkeurend oordeel vellen.

Laken zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. Zijn onbetamelijk gedrag werd door ieder gelaakt.

Berispen heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. De onderwijzer berispte den leerling over het slordige werk.

Gispen (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. Het opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem gegispt. (Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.)

Bedillen wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. Zijn afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen bekend als iemand, die iedereen wil bedillen.

Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van vitten. Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan vitten: hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt.

Het valt zonder twijfel in hem te —, dat hij zijn ouders niet beter ondersteunt.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
vitten

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
WNT (i) (ii) (iii) (iv) - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - rijmwoorden - Wikipedia - Google

debug info: 0.0027 c