ziek

als woordenboektrefwoord:

ziek:
bn. (-er, -st), niet gezond.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

ziek (bn):
beroerd, ellendig, koortsig, krank, kwakkelig, misselijk, naar, ongesteld, ongezond, onwel
ziek (bn):
akelig, naargeestig, verziekt, walgelijk, weerzinwekkend

als synoniem van een ander trefwoord:

weerzinwekkend (bn) :
afschuwelijk, afstotend, degoutant, misselijkmakend, onsmakelijk, repugnant, revoltant, smerig, stuitend, terugstotend, walgelijk, ziek
akelig (bn) :
beroerd, droevig, misselijk, naar, onpasselijk, onwel, somber, treurig, verwenst, ziek
slecht (bn) :
belabberd, beroerd, mager, ongezond, pips, ziek, zwak
onwel (bn) :
mottig, ongans, ongesteld, onpasselijk, ziek
naar (bn) :
beroerd, misselijk, onpasselijk, wee, ziek
overspannen (bn) :
doorgedraaid, overwerkt, ziek
ziekelijk (bn) :
morbide, ziek
krank (bn) :
ziek

woordverbanden van ‘ziek’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
ziek, krank, onwel, ongesteld

Ziek — krank — onwel — ongesteld. Wanneer iemand niet gezond is, zal men hem, alleen wanneer deze toestand van blijvenden aard is, ongezond noemen. In dit geval is er nog geen bepaald lijden op den voorgrond getreden. Geschiedt dit, dan is ziek hiervoor de algemeene en tevens de sterkste uitdrukking. Ook van afzonderlijke deelen van het lichaam en van dieren en planten wordt het gezegd. Krank duidt hetzelfde aan, maar is deftiger, en wordt daardoor meer in figuurlijken zin gebezigd. Onwel en ongesteld geven een lichteren graad van ziek zijn aan. Onwel ziet meer op het onaangename gevoel, ongesteld op den toestand. Ongezond en ziekelijk drukken bijna hetzelfde uit, doch ziekelijk is sterker. Een ongezonde toestand en een, ziekelijke toestand der maatschappij. Voor hij ziek werd, voelde hij zich reeds eenige dagen onwel. Dewijl hij door en door ongezond is, moet hij telken jare naar de baden; hij is echter nooit bepaald ziek. Maar zelden behoefde, hij om ongesteldheid de lessen te verzuimen. Die dame werd op het concert onwel.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
krank, ziek, onpasselijk, ziekelijk

KRANK, ZIEK, ONPASSELIJK, ZIEKELIJK

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 328.

in hedendaagse spelling:
zuchtig, ziek, krank, onpasselijk, ongesteld, niet wel, niet recht gezond, ongedaan, sukkelend, kwijnend, krachteloos, zwak

ZUCHTIG, ZIEK, KRANK, ONPASSELIJK, ONGESTELD, NIET WEL, NIET REGT GEZOND, ONGEDAAN, SUKKELEND, KWIJNEND, KRACHTELOOS, ZWAK

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 87.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

ziek
beter, gezond, goed
zie ook:
gauw ziek, ziek worden

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
ANW - WNT (i) (ii) - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - rijmwoorden - Wikipedia - Google

debug info: 0.0049 c