alleen

als woordenboektrefwoord:

alleen:
bn. bw. zonder gezelschap ; enkel.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

alleen (ww):
afzonderlijk, allenig, eendelijk, enig, eniglijk, enkel, solo
alleen (ww):
slechts, uitsluitend
alleen (ww):
maar
alleen (bn):
in zijn uppie, op zichzelf
alleen (bn):
eenzaam, verlaten

als synoniem van een ander trefwoord:

eenzaam (bn) :
afgelegen, afgezonderd, alleen, contactarm, eendelijk, eenzelvig, geïsoleerd, leeg, onbewoond, solitair, stil, teruggetrokken, uitgestorven, verlaten
verlaten (bn) :
afgelegen, alleen, eendelijk, eenzaam, geïsoleerd, vereenzaamd, zielig
enig (bn) :
alleen, uitsluitend
enkel (bw) :
alleen, alleen maar, bloot, eenvoudigweg, gewoonweg, louter, puur, slechts, uitsluitend, zuiver
toch (bw) :
alleen, desalniettemin, desondanks, echter, evenwel, niettemin, nochtans, ondanks alles
louter (bw) :
alleen, bloot, enkel, slechts, uitsluitend
slechts (bw) :
alleen, enkel, louter, maar, niet meer dan
uitsluitend (bw) :
alleen, bloot, enkel, louter
blotelijk (bw) :
alleen, enkel, louter
afzonderlijk (bw) :
alleen, individueel
puur (bw) :
alleen, louter

woordverbanden van ‘alleen’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
alleen, allenig, enig, eenzaam, verlaten

Alleenalleenig — eenig — eenzaam — verlaten. Wat afgezonderd is, op zich zelf staat. Voor zoover het derde woord met de beide eerste woorden synoniem is, beteekent eenig meer, dat er van eene zekere soort van personen of voorwerpen maar één bestaat. Zijn eenige zoon. Mijn eenige hoop. Alleen en het minder gebruikelijke alleenig, dat men slechts in de volkstaal en bij dichters aantreft, drukken meer uit het ontbreken van andere voorwerpen van dezelfde soort op eene bepaalde plaats. Wat het onderscheid tusschen alleen en eenzaam betreft; alleen duidt enkel aan, dat men geen gezelschap bij zich heeft; eenzaam eene afzondering, waardoor een gevoel van ongezelligheid, of ook van stilte en rust ontstaat. Hij, die zonder gezelschap is, is alleen, doch behoeft zich nog niet eenzaam te gevoelen. Aan deze beteekenis van eenzaam sluit zich aan die van ver laten, waarbij op den voorgrond staat, dat men aan zich zelf is overgelaten, van de menschen vergeten. Hij is bang in 't donker, bang alleen. In zijn ouderdom krijgt men het op de wereld zoo eenzaam. Bij uitbreiding: een eenzaam pad.

in hedendaagse spelling:
alleen, enkel, slechts

Alleen — enkel — slechts. Zij drukken alle eene beperking van een begrip, van eene gedachte uit. Alleen sluit eigenlijk al het andere uit: het geeft te kennen, dat hetgeen gezegd wordt, op die eene zaak en op geene andere betrekking heeft. Enkel staat hiermede vrijwel gelijk, maar is sterker. Nog sterker is enkel en alleeen. Slechts ziet meer op den graad, de hoeveelheid, en is deftiger. Ik heb hen alleen gezien, niet gesproken; ik heb hen enkel gezien. En niet slechts dit, hij weigerde zelfs mij te hooren.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
alleen, enig

ALLEEN, EENIG

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 151.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

alleen
samen
zie ook:
alleen maar

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
WNT (i) (ii) - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - rijmwoorden - Wikipedia - Google

debug info: 0.0062 c