enig

als woordenboektrefwoord:

enig:
bn. bw. alleen, op zich zelf staande.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

enig (bn):
beeldig, dol, fijn, grappig, heerlijk, leuk, ongeëvenaard, onvergelijkelijk, schitterend, verrukkelijk, voortreffelijk
enig (bn):
een beetje, wat, zeker
enig (bn):
alleen, uitsluitend
enig (bn):
enigst, enkel, uniek
enig (vnw):
een of ander, elk, enigerlei, welk dan ook
enig (vnw):
enige, sommige

als synoniem van een ander trefwoord:

heerlijk (bn) :
aangenaam, bekoorlijk, buitengewoon, emmes, enig, excellent, fijn, genotvol, hemels, lekker, magnifiek, prettig, prima, smakelijk, tevredenstellend, verrukkelijk, voldoening gevend, weldadig
verrukkelijk (bn) :
allerliefst, beeldig, bekoorlijk, betoverend, charmant, delicieus, elysisch, enig, genotvol, goddelijk, heerlijk, hemels, overheerlijk, prachtig, ravissant, zalig
leuk (bn) :
amusant, dolletjes, enig, geinig, grappig, lollig, mieters, moppig, olijk, vrolijk, prettig, tof, vermakelijk
uniek (bn) :
eenmalig, enig, heerlijk, kostelijk, onvergelijkelijk, uitmuntend, voortreffelijk
enkel (bn) :
afzonderlijk, enig, enkelvoudig, los
uitsluitend (bn) :
enig
sommige (vnw) :
enig
alleen (ww) :
afzonderlijk, allenig, eendelijk, enig, eniglijk, enkel, solo

woordverbanden van ‘enig’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
alleen, allenig, enig, eenzaam, verlaten

Alleen — alleenig — eenig — eenzaam — verlaten. Wat afgezonderd is, op zich zelf staat. Voor zoover het derde woord met de beide eerste woorden synoniem is, beteekent eenig meer, dat er van eene zekere soort van personen of voorwerpen maar één bestaat. Zijn eenige zoon. Mijn eenige hoop. Alleen en het minder gebruikelijke alleenig, dat men slechts in de volkstaal en bij dichters aantreft, drukken meer uit het ontbreken van andere voorwerpen van dezelfde soort op eene bepaalde plaats. Wat het onderscheid tusschen alleen en eenzaam betreft; alleen duidt enkel aan, dat men geen gezelschap bij zich heeft; eenzaam eene afzondering, waardoor een gevoel van ongezelligheid, of ook van stilte en rust ontstaat. Hij, die zonder gezelschap is, is alleen, doch behoeft zich nog niet eenzaam te gevoelen. Aan deze beteekenis van eenzaam sluit zich aan die van ver laten, waarbij op den voorgrond staat, dat men aan zich zelf is overgelaten, van de menschen vergeten. Hij is bang in 't donker, bang alleen. In zijn ouderdom krijgt men het op de wereld zoo eenzaam. Bij uitbreiding: een eenzaam pad.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
alleen, enig

ALLEEN, EENIG

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 151.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

enig
afgrijselijk, afschuwelijk, bende, boel, ettelijke, gruwelijk, hoop, lelijk, massa, monsterlijk, onenig, stom, stoot, tig, veel, verschrikkelijk, vervelend, vreselijk, walgelijk, weerzinwekkend

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
WNT - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - rijmwoorden - Wikipedia - Google

debug info: 0.0041 c