bevreesdheid

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

bangheid (zn) :
angst, bangigheid, beduchtheid, bevreesdheid, bezorgdheid, timiditeit, vrees

woordverbanden van ‘bevreesdheid’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
angst, angstvalligheid, bangheid, benauwdheid, bevreesdheid, bezorgdheid, schrik, schroom, vrees

Angst — angstvalligheid — bangheid — benauwdheid — bevreesdheid — bezorgdheid — schrik — schroom — vrees. Het gevoel van beklemming ontstaan door de waarneming van een werkelijk of vermeend gevaar. Schroom is de zwakste uitdrukking en spruit minder voort uit het dreigende, dan wel uit het ongewone of indrukwekkende van hetgeen men te gemoet moet treden. In zooverre het gebrek aan zelfvertrouwen uitdrukt, is het meer synoniem met bedeesdheid. Niet dan met een gevoel van diepen schroom neem ik in deze achtbare vergadering het woord. Angst en bangheid — het laatste een lichte graad van angst — behoeven niet noodzakelijk door iets buiten ons veroorzaakt te worden, maar kunnen ook het gevolg wezen van voorstellingen, ontstaan door lichamelijke storingen, b.v. van een overprikkeld zenuwgestel. Benauwdheid geeft meer te kennen het gevoel van benauwing of beklemming voor een onbepaald gevaar, dat ons bedreigen kan. Frees is het gevoel van beklemming, dat naderend kwaad of een machtiger wezen bij ons opwekt; zij heeft dus altijd op het een of ander voorwerp betrekking, waardoor zij wordt opgewekt. Schrik is eene hevige vrees, die ons plotseling overvalt en onze zenuwen meer of minder schokt. Angstvalligheid, bevreesdheid en bezorgdheid geven òf eene blijvende hoedanigheid òf eene tijdelijke aandoening te kennen. Alleen in het laatste geval zijn zij met de eerste synoniem. Angstvalligheid ziet op de zwakheid des geestes, die een gevoel van angst te weeg brengt. Bevreesdheid is de toestand waarin iemand verkeert, die vrees gevoelt voor eene bepaalde zaak. Bezorgdheid duidt meer de onrustige stemming aan, welke het gevolg is van vrees voor mogelijk gevaar, dat het voorwerp onzer zorg bedreigt.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
angst, bangheid, schrik, schroom, vrees, angstvalligheid, beangstheid, bedeesdheid, benauwdheid, bevreesdheid, bezorgdheid, schroomvalligheid, vervaardheid

ANGST, BANGHEID, SCHRIK, SCHROOM, VREES, ANGSTVALLIGHEID, BEANGSTHEID, BEDEESDHEID, BENAAUWDHEID, BEVREESDHEID, BEZORGDHEID, SCHROOMVALLIGHEID, VERVAARDHEID

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 164.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0019 c