hoorn

als woordenboektrefwoord:

hoorn, horen:
m. (-en, -s), benig uitsteeksel aan de kop van koeien enz. ; blaasinstrument.
hoorn:
o. hoornachtige zelfstandigheid.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

hoorn (ww):
klaroen

als synoniem van een ander trefwoord:

claxon (zn) :
hoorn, sirene, toeter
horen (zn) :
hoorn, toeter

woordverbanden van ‘hoorn’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

Een hard, kalk- of hoornachtig bekleedsel. Schaal is het kalkachtig bekleedsel, dat bij sommige lichamen gemakkelijk van de huid verwijderd kan worden; het wordt zoowel van dieren als levenlooze voorwerpen gebruikt: eierschaal, schaaldier. Schelp en schulp beteekenen eigenlijk hetzelfde; in sommige gevallen bezigt men meer het eerste, in andere het tweede woord, zonder dat er echter bepaald verschil van beteekenis is aan te wijzen. Waar van tweekleppige schalen sprake is gebruikt men meestal schelp, terwijl schulp van de eenschalige schelp of eenkleppige schaal van sommige weekdieren gebruikt wordt; in samenstellingen wordt meestal schulp voor schelp gebezigd. Oesterschelp, schelpen zoeken aan 't strand, schelpvisschen, schulpkalk, schulpzand, de slak kruipt in zijne schulp; fig. in zijne schulp kruipen. Is de eenschalige schelp van een weekdier zeer gebogen, dan noemt men deze, vooral wanneer het weekdier er zich niet meer in bevindt, een hoorn of kinkhoorn. Van de slak, die zich buiten zijne schulp kan bevinden, of er zich in kan terugtrekken als in zijn huis, noemt men de schulp ook het huisje.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 209:

bazuin, hoorn, trompet

bij andere sites:

in het Verwarwoordenboek van Jan Renkema:
synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0019 c