hout

als woordenboektrefwoord:

hout:
o. dat snijdt geen hout, doet weinig ter zake; op eigen houtje, op eigen gezag.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

hout (zn):
boomgewas, geboomte, houtgewas

als synoniem van een ander trefwoord: niet gevonden.

woordverbanden van ‘hout’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

bos, hout, woud

Eene met boomen begroeide uitgestrektheid gronds. Bosch is de gewone benaming. Het Haagsche bosch, het Soerensche bosch. Groote bosschen, die, toen zij den naam kregen, nog meer of minder in den natuurstaat verkeerden, noemt men wouden. Het Teutoburger woud; het Zwarte woud. Hout voor bosch is eene verouderde uitdrukking, die nog alleen in den Alkmaarder hout en den Haarlemmer hout is overgebleven. De gewone beteekenis van hout is tegenwoordig kreupelhout. Als de hazen bij dag uit het hout komen, gaat het regenen.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, blz. 399:

bos, hout, woud

zie ook:

bij andere sites:

synoniemen-sites:
algemene woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0032 c