jegens

als woordenboektrefwoord:

jegens:
vz. ten aanzien van, tegenover (gewoonlijk in gunstige, vriendschappelijke zin gebruikt).

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

jegens (vz):
tegenover, ten aanzien van

als synoniem van een ander trefwoord:

ten opzichte van (vz) :
jegens, tegenover, ten aanzien van
tegenover (vz) :
jegens, tegen, ten aanzien van
tegen (vz) :
jegens, tegenover

woordverbanden van ‘jegens’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

jegens, tegen

De grondbeteekenis van beide is eene richting ergens heen, eene beweging naar een voorwerp. Bij jegens heeft die beweging een vriendschappelijk karakter; in tegen ligt, wanneer het tegenover jegens gesteld wordt, het denkbeeld van weerstand, van vijandschap; overigens kan het ook in gunstigen zin worden gebruikt. Liefde, achting, eerbied, teederheid jegens iemand. Lief, aardig, goed, vriendelijk jegens iemand zijn. Tegen den muur loopen. Tegen den stroom op zwemmen. Zich tegen iets aankanten. Tegen den vijand oprukken. Tegen iemand lomp, ruw, onbeleefd zijn. Tegen ieder spreekt hij even beleefd.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 270:

jegens, tegen

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.002 c