Vertaling van 'Sproß' uit het Duits naar het Nederlands

Sproß (zn):
afstammeling(en) one who is the progeny of someone., nakomeling(en) one who is the progeny of someone., nazaat(en) one who is the progeny of someone., telg(en) one who is the progeny of someone.

cached Via: Dbnary en WikiWoordenboeken