partir (ww):
vertrekken(de) sich von einem Ort entfernen, einen Ort verlassen.
(en) to depart (intransitive).
(en) To leave; begin a journey or trip.
(en) to go out or go away from a place or situation.
(fr) Mettre en marche, en mouvement ou commencer (Sens général).
(ja) 去る.
(pl) —.
(pl) —.
(pl) —., breken(de) transitiv: etwas zerkleinern, durch Kraft in mehrere Stücke zerlegen.
(en) to break something.
(en) to break or separate or to break apart.
(pl) —., splitsen(de) transitiv: zur Gänze zerlegen.
(en) to divide something parts.
(fr) Découper, diviser., verdelen(en) to divide something parts.
(fr) Découper, diviser.
(ru) разъединять., weggaan(de) sich entfernen; einen Ort verlassen.
(en) to depart (intransitive).
(ja) 去る., wegrijden(de) intransitiv, Hilfsverb sein: sich (fahrend, im Fahrzeug) von einem Ort wegbegeben.
(pl) —.
(pl) —., delen(fr) Découper, diviser.
(ru) разъединять., kloven(de) transitiv: zur Gänze zerlegen.
(de) (Holz) spalten., uiteengaan(en) leave.
(en) —., afbreken(fr) Découper, diviser., beginnen(fr) Mettre en marche, en mouvement ou commencer (Sens général)., betrappen(en) to break something., buitenrijden(pl) —., debiteren(fr) Découper, diviser., deponeren(en) to depart (intransitive)., klieven(de) (Holz) spalten., omzetten(fr) Découper, diviser., opbreken(de) sich von einem Ort entfernen, einen Ort verlassen., opdelen(en) to divide something parts., opsplitsen(fr) Découper, diviser., opstappen(de) sich von einem Ort entfernen, einen Ort verlassen., scheiden(en) to break or separate or to break apart., starten(fr) Mettre en marche, en mouvement ou commencer (Sens général)., uiteendrijven(en) to break or separate or to break apart., uitgaan(en) to go out or go away from a place or situation., verkopen(fr) Découper, diviser., zich op weg begeven(de) sich von einem Ort entfernen, einen Ort verlassen.
cached Via: Dbnary en WikiWoordenboeken
Via: Memodata.com