schoof

als woordenboektrefwoord:

schoof:
v. (schoven), koren-, strobundel.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

bundel (zn) :
bagage, bos, bussel, dot, knot, kwast, pak, schoof, spullen, wis
garf (zn) :
schoof

woordverbanden van ‘schoof’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
garf, gast, bos, schoof, vim

Garf — gast — bos — schoof — vim. Bos is een bundel langwerpige voorwerpen: een bos pennen, bos takken enz. Schoof is een bundel afgemaaide korenhalmen; zoodra zij echter gedorscht zijn, spreekt men van een bos stroo. In beteekenis komt het woord met garf overeen. Schoof is meer in de beschaafde spreektaal in gebruik, garf is in sommige streken de landbouwnaam. Vier garven maken een gast, vijfentwintig gast een vim. De vorm gast kan uit garst zijn ontstaan, dat in dezelfde beteekenis voorkomt als ook in die van gerst.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0023 c