wis

als woordenboektrefwoord:

wis:
bn. (-ser, -t), zeker.
wis:
v. (-sen), teen, twijg ; handvol ; strowis.
wis:
v. (-sen), vaatdoek.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

wis (zn):
bosje, bundeltje
wis (zn):
wisdoek
wis (zn):
zeker
wis (ww):
teen, twijg

als synoniem van een ander trefwoord:

bundel (zn) :
bagage, bos, bussel, dot, knot, kwast, pak, schoof, spullen, wis
bosje (zn) :
bundeltje, klis, pluk, wis
teen (zn) :
rijs, toon, wis
zeker (bw) :
absoluut, alleszins, beslist, gegarandeerd, gewis, natuurlijk, ongetwijfeld, ontwijfelbaar, overtuigd, stellig, verzekerd, wis, zekerlijk

woordverbanden van ‘wis’ grafisch weergegeven

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

wis
onwis

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0026 c