nakomeling

als woordenboektrefwoord:

nakomeling:
m. en v. (-en), afstammeling.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

nakomeling (zn):
afstammeling, descendent, kadee, kind, loot, naneef, nazaat, telg

als synoniem van een ander trefwoord:

kind (zn) :
koter, kroost, loot, nageslacht, nakomeling, spruit, telg, vlees en bloed, vrucht
telg (zn) :
afstammeling, descendent, kadee, loot, nakomeling, nazaat, spruit
loot (zn) :
afstammeling, boomscheut, nakomeling, spruit, telg
afstammeling (zn) :
descendent, loot, nakomeling, nazaat, spruit, telg
spruit (zn) :
afstammeling, kind, nakomeling, telg
zoon (zn) :
afstammeling, nakomeling, telg

woordverbanden van ‘nakomeling’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
afkomeling, afstammeling, nakomeling, naneef, nakroost, nazaat, oir

Afkomeling — afstammeling — nakomeling — naneef — nakroost — nazaat — oor (oir). De beide eerste woorden verschillen nagenoeg niet in beteekenis, wel echter in gebruik; afstammeling is het meest gebruikelijk; zij worden gezegd van al de personen, die van een zelfden voorvader afstammen, zoowel de kinderen en kindskinderen, als de verdere bloedverwanten, tot in den meest verwijderden graad. Indien uwe voorouders uit hunne graven opstonden, meent gij, dat zij in u hunne afstammelingen zouden erkennen? De volgende woorden, behalve oor, daarentegen hebben alleen betrekking op een meer verwijderd nageslacht. Wil men echter van zulke nazaten of nakomelingen meer bepaald de geslachts-betrekking tot den gemeenschappelijken voorvader doen uitkomen, dan noemt men hen bij voorkeur afstammelingen, als b.v. in Burg. Wetb. a. 961. Oor is de afstammeling in de rechte lijn, die als erfgenaam in de rechten van den vader treedt. Het wordt bijna uitsluitend in deftigen stijl gebezigd: „Bij ontstentenis van het mannelijk oir gaat de kroon over op diens broeders (nl. van den vader)". Nakomeling, nakroost, dat alleen in het enkelv. voorkomt, naneef, en nazaat, die bijna altijd in het meerv. voorkomen, veronderstellen in de meeste gevallen geen nabestaanden familieband. Naneef, nazaat en nakroost behooren bijna uitsluitend tot den hoogeren stijl. „Wij, die zoo verachtelijk den neus ophalen voor de middeleeuwsche beschaving, loopen ivij geen gevaar, dat onze nazaten het eveneens zullen doen over onze hooggeroemde negentiende-eeuwsche wetenschappelijkheid?" „'t Vangt aan het stout bedrijf, waar 't nakroost van zal spreken".

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
afkomeling, afstammeling, nazaat, nakomeling, naneef

AFKOMELING, AFSTAMMELING, NAZAAT, NAKOMELING, NANEEF

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 115.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0029 c