spraak

als woordenboektrefwoord:

spraak:
v. het spreken ; taal; tongval.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

taal (zn) :
praat, spraak, spraakvermogen, stem, taaluiting, tong, woordgebruik
uitspraak (zn) :
accent, dictie, spraak, tongval
sprake (zn) :
gerucht, melding, spraak
tong (zn) :
spraak, taal

woordverbanden van ‘spraak’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
spraak, taal

Spraak — taal. Spraak is het vermogen, uitsluitend aan den mensch eigen, om zijne gedachten en gewaarwordingen door hoorbare teekenen, spraakklanken of woorden geheeten, aan anderen mede te deelen. Taal heeft een veel ruimer begrip; het duidt in de eerste plaats het spreken aan, vervolgens wat gesproken wordt, verder de verzameling spraakklanken, waarvan menschen of volken zich bedienen; het omvat behalve de woordentaal alle andere wijzen van uitdrukking waarvan de mensch zich bedient, alsmede de klanken waardoor verschillende dieren zich voor elkander verstaanbaar maken. Zijne spraak is belemmerd. Hij is goed ter tale. De gebarentaal. De taal der oogen, der vingers. Het schijnt tegenwoordig niet meer aan twijfel onderhevig, dat sommige dieren eene geluidstaal bezitten.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
spraak, taal

SPRAAK, TAAL

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, bladzijde 173.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.003 c