wijten

als woordenboektrefwoord:

wijten:
(weet, geweten), betichten van: verwijten.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

wijten (ww):
aanrekenen, aantijgen, aanwrijven, betichten, toedichten, toeschrijven

als synoniem van een ander trefwoord:

imputeren (ww) :
aantijgen, ten laste leggen, toerekenen, toeschrijven, wijten
aanrekenen (ww) :
kwalijk nemen, toerekenen, verwijten, wijten
betichten (ww) :
aanklagen, beschuldigen, wijten
toeschrijven (ww) :
wijten

woordverbanden van ‘wijten’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

danken, wijten

Iemand als de oorzaak van iets beschouwen; iets aan iemand toeschrijven. Dank wordt meestal in eene goede, wijten altijd in eene kwade beteekenis gebruikt. Alles wat ik bezit, heb ik u te, danken. Veel huisgezinnen hebhen hun achteruitgang alleen aan hunne weelde en genotzucht te wijten. Het is aan zijn treuzelen te wijten, als wij te laat in de kerk komen.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922):

danken, wijten

Iemand of iets als de oor-zaak van een of ander beschouwen.

Danken heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, wijten daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. Ik heb u mijn bevordering te danken. Zijn armoede heeft hij zich zelf te wijten.

(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te danken hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te wijten hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking : iemand iets dank weten, aanleiding tot deze vergissing).

woorden met een verwante vorm:

bij andere sites:

in het Verwarwoordenboek van Jan Renkema:
synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0602 nc