sluik

als woordenboektrefwoord:

sluik:
v. Ter sluik, ongemerkt.
sluik:
bn. (-er, -st), mager ; afhangend.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

sluik (bn):
platliggend
sluik (bn):
recht, steil

als synoniem van een ander trefwoord:

glad (bn) :
sluik
steil (bn) :
sluik

woordverbanden van ‘sluik’ grafisch weergegeven

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
sluik, sluw, slim, leep, loos, listig, arglistig, olijk, ondeugend, doorkneed, doortrapt

SLUIK, SLUW, SLIM, LEEP, LOOS, LISTIG, ARGLISTIG, OOLIJK, ONDEUGEND, DOORKNEED, DOORTRAPT

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 48.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0024 c