go on (ww):
Come to pass
tot stand komen, plaatshebben, plaatsvinden, gebeuren, overstag gaan, doorgaan
go on (ww):
Start running, functioning, or operating
aangaan, gaan
go on (ww):
Move forward, also in the metaphorical sense
voortschrijden
go on (ww):
Continue a certain state, condition, or activity
houden
Via: Ensyns.nl
go on (ww):
aan de hand zijn(en) —.
(sv) äga rum., verder gaan(en) —., doorgaan(en) —., gebeuren(fr) Pour un évènement : survenir, se produire.
(fr) Arriver, avoir lieu.
(sv) äga rum., geschieden(fr) Pour un évènement : survenir, se produire., voorkomen(fr) Pour un évènement : survenir, se produire.
go on (bw):
vooruit(de) —.
cached Via: Dbnary en WikiWoordenboeken
Via: Memodata.com