afvaardigen

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

afvaardigen (ww):
delegeren, deputeren, zenden

als synoniem van een ander trefwoord:

delegeren (ww) :
afvaardigen, machtigen, mandateren

woordverbanden van ‘afvaardigen’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
afvaardigen, afsturen, afzenden

Afvaardigen — afsturen — afzenden. Iemand of iets van eene plaats naar eene andere zenden. Afvaardigen (soms ook afzenden) heeft de bijgedachte, dat de afgevaardigde of afgezant een bepaalden last heeft, dien hij zelfstandig moet volbrengen. Afsturen en afzenden worden van zaken en personen gebruikt; bij deze woorden staat de gedachte aan de ontstane verwijdering, of de plaats, die verlaten wordt, meer op den voorgrond, dan die, waarheen men afzendt of afstuurt. Afvaardigen is plechtiger dan afzenden: het wordt meest gebezigd als de afgevaardigde een persoon is van rang, of hem eene gewichtige zending opgedragen is. Afsturen is meer alledaagsch. Na zijne overwinning bij Heraclea vaardigde Pyrrhus van Epirus zijn welsprekenden staatsdienaar Cineas naar Rome af om den vrede aan te-bieden. Daar moet men iemand op afzenden, die zijn plannen bedekt weet te houden. De tabak is afgezonden De jongen werd van school afgestuurd.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0025 c