boog

als woordenboektrefwoord:

boog:
m. (bogen), schiettuig; graadboog ; vlieger.
boog:
m. (bogen), bolronde overdekking ; gedeelte van een cirkelomtrek.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

boog (zn):
gewelf, kromming, poort

als synoniem van een ander trefwoord:

kromming (zn) :
bocht, bochtigheid, boog, buiging, knie, kromheid, kromte, kronkel, meander, welving
plooi (zn) :
bocht, boog, buiging, neep
poort (zn) :
boog, poortje
bocht (zn) :
boog

woordverbanden van ‘boog’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

Bocht en krom ming duiden beide eene afwijking van de rechte lijn aan. Beide woorden worden door elkaar gebruikt; men zegt zoowel eene kromming als eene bocht van een weg; alleen is bocht meer gebruikelijk dan kromming, en kan het b.v. in de uitdrukking: zich of het lichaam in bochten wringen niet door kromming vervangen worden. Boog is een gedeelte van den omtrek eens cirkels; verder een gekromde stok, b.v. het bekende wapentuig, en alles wat daaraan in gedaante nabij komt. Cirkelboog, regenboog, wenk brauwboog. Kronkeling is eene kromming, die zich meer dan eenmaal buigt, eene omslingering, eene aaneenschakeling van bochten.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, blz. 389:

zie ook:

bij andere sites:

synoniemen-sites:
algemene woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0128 nc