kaak

als woordenboektrefwoord:

kaak:
v. (kaken), been, waarin de tanden geplaatst zijn; wang.
kaak:
v. (kaken); iem. aan de kaak stellen, zijn schande bekendmaken.
kaak:
v. (kaken), harde scheepsbeschuit.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

kaak (zn):
scheepsbeschuit, zeekaak
kaak (zn):
bek, kinnebak, mond, muil
kaak (zn):
schandpaal

als synoniem van een ander trefwoord:

mond (zn) :
bakkes, bek, kaak, kakement, klep, kwebbel, laadklep, moel, mondholte, muil, scheur, smikkel, smoel, snater, snavel, snuit, tater, toot, wafel, waffel
muil (zn) :
bek, kaak, mond, smikkel, smoel, snuit, toot

woordverbanden van ‘kaak’ grafisch weergegeven

zie ook:
aan de kaak stellen

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0027 c