klep

als woordenboektrefwoord:

klep:
v. (-pen), opslag, deksel (aan één zijde vast) ; de klep ener pet, om de ogen te beschermen.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

klep (zn):
deksel, flap, klap, klepper
klep (zn):
bek, smoel

als synoniem van een ander trefwoord:

mond (zn) :
bakkes, bek, kaak, kakement, klep, kwebbel, laadklep, moel, mondholte, muil, scheur, smikkel, smoel, snater, snavel, snuit, tater, toot, wafel, waffel
ratel (zn) :
babbelkous, klep, rebbel
klap (zn) :
klep, klepper

woordverbanden van ‘klep’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

deksel, klep, lid, stop

Hetgeen dient om de opening van een voorwerp dicht te maken. Een deksel kan in den regel van een voorwerp worden afgericht; eene klep, een lid is er door een scharnier of op eene andere wijze aan bevestigd; eene stop wordt in de opening gestoken. Het deksel van eene pan, een vat, eene doos. Het lid van eene kan. Die het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het lid op den neus. De klep van een bierglas, van een zak. De stop van eene flesch, eene karaf. Lid raakt echter in onbruik.

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, blz. 309:

klap, klep, deksel, lid, stop

zie ook:

bij andere sites:

synoniemen-sites:
algemene woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0023 c