ronken

als woordenboektrefwoord:

ronken:
(geronkt), luid snorken.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

ronken (ww):
gonzen, snorken, snorren, snuiven, snurken
ronken (ww):
tuffen

als synoniem van een ander trefwoord:

gonzen (ww) :
brommen, roezemoezen, ronken, ruisen, snorren, suizen, zoemen

woordverbanden van ‘ronken’ grafisch weergegeven

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
blazen, waaien, stormen, bulderen, brommen, grommen, knorren, ronken, snorren, pochen, stoffen, snoeven, snuiven, niezen, kuchen

BLAZEN, WAAIJEN, STORMEN, BULDEREN, BROMMEN, GROMMEN, KNORREN, RONKEN, SNORREN, POGCHEN, STOFFEN, SNOEVEN, SNUIVEN, NIEZEN, KUGCHEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 82.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0031 c