zieden

als woordenboektrefwoord:

zieden:
(zood, gezoden), koken ; zieden van woede.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

briesen (ww) :
brullen, loeien, razen, snuiven, tekeergaan, zieden
koken (ww) :
woedend zijn, ziedend zijn, zieden

woordverbanden van ‘zieden’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
bakken, braden, fruiten, koken, poffen, roosten, stoven, zieden

Bakken — braden — fruiten — koken — poffen — roosten — stoven — zieden. Spijzen gaar en eetbaar maken door middel van verhitting boven het vuur. Bakken zegt men van spijzen, die uit een deeg van meel worden bereid, en die men dan verhit tot het deeg de gewenschte veranderingen heeft ondergaan. Brood, pannekoek bakken. Soms geschiedt het in olie of gesmolten vet: oliebollen bakken. In tegenstelling met vleesch, dat gebraden wordt, wordt visch gebakken. Bij koken doet men de spijzen in eene vloeistof, die men verhit tot het punt, waarop deze begint op te borrelen; zieden was oorspronkelijk hetzelfde, doch wordt thans alleen van visch nog gebruikt, (zie verder bij zieden); bij braden stelt men ze bloot aan de werking van het vuur, terwijl men in de pan een weinig vet heeft gedaan om het hard branden te voorkomen; bij aan het spit braden wordt het vet over het gebraad gedruppeld. Roosten is droge spijs aan de aanraking van het vuur blootstellen, ten einde aan den buitenkant eene licht gebrande korst te verkrijgen. Stoven beteekent eetbaar maken door eene langduriger, matiger warmte, dan voor koken, braden of roosten noodig heeft. Braden sluit altijd het bijdenkbeeld in, dat de buitenkant van hetgeen eetbaar wordt gemaakt te gelijk van eenen weeken in een harderen of vasteren toestand overgaat. Fruiten is het toebereiden van sommige spijs in sterk kokend vet; het wordt weinig gebruikt: gefruite uien. Poffen zegt men van boonen, kastanjes of aardappelen die in de gloeiende asch gelegd worden, of in eene schaal droog boven het vuur of in den oven gezet worden om ze gaar te maken.

in hedendaagse spelling:
zieden, koken

Zieden — koken. Zieden en koken duiden, transitief gebezigd, het verhitten eener vloeistof aan tot zij begint op te borrelen. Zieden, dat eigenlijk hetzelfde beteekent als koken, wordt bij sommige bepaalde vloeistoffen, waaruit iets anders bereid wordt, gebruikt. Men verstaat er dan meestal een sterkeren graad van verhitting onder dan bij koken. Men ziedt zout, zeep en dergelijke. Intransitief gebruikt drukken zij uit, dat eene vloeistof, tengevolge van hitte, damp begint te ontwikkelen en opborrelt. Zieden wordt in deze beteekenis veel minder gebruikt dan koken. In figuurlijken zin beteekenen beide dat iets in zeer sterke beweging geraakt, een hartstocht of drift buitengemeen hevig wordt, of dat het bloed zeer sterk verhit wordt. Het koken van de zee. Kokend van drift. Het kookt in mijn binnenste. Van toorn zieden.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
zieden, koken

ZIEDEN, KOKEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, bladzijde 375.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0125 nc