hand

als woordenboektrefwoord:

hand:
v. (-en), lichaamsdeel van de pols tot het uiteinde der vingers.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

hand (zn):
fik, jat, klauw, klauwier, kluif, knuist, pol, poot, tengel, vingers, vuist
hand (zn):
handschrift
hand (zn):
kant, zijde
hand (zn):
werkkracht

als synoniem van een ander trefwoord:

schrift (zn) :
geschrift, hand, handschrift, schrijfwijze
klavier (zn) :
hand, jat, klauwier, kluif, knuist, vlerk
poot (zn) :
bout, hand, jat, klauw, tengel, vinger
kluif (zn) :
hand, jat, klauw, kluifbeentje, poot
klauwier (zn) :
hand, jat, klavier, kluif, knuist
klauw (zn) :
hand, jat, kluif, poot
vlerk (zn) :
arm, hand, klauw

woordverbanden van ‘hand’ grafisch weergegeven

zie ook:
aan de hand, aan de hand doen, aan de hand van, de hand ophouden, de hand reiken, de laatste hand leggen aan, de vrije hand geven, harde hand, in de hand hebben, in de hand houden, in de hand werken, met de hand, ter hand nemen, ter hand stellen, uit de hand lopen, van de hand doen, van de hand slaan, van de hand wijzen, voor de hand, voor de hand liggend, zwaar op de hand

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0026 c