metgezel

als woordenboektrefwoord:

metgezel:
m. (-len), reisgenoot.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

metgezel (zn):
gezel, kameraad, kompaan, kornuit, maat, makker, partner, reisgenoot
metgezel (zn):
spitsbroeder, wapenbroeder, strijdmakker

als synoniem van een ander trefwoord:

maat (zn) :
broeder, buddy, collega, gabber, gezel, handlanger, kameraad, kompaan, kornuit, maatje, makker, medespeler, metgezel, partner, ploegmaat, teamgenoot, vriend, vrind
kameraad (zn) :
amice, bondgenoot, broeder, compagnon, gabber, kompaan, kornuit, maat, makker, metgezel, spitsbroeder, trawant, vriend, wapenbroeder
vriend (zn) :
amice, buddy, compagnon, deelgenoot, gabber, gezel, kameraad, kennis, kompaan, kornuit, maat, makker, metgezel, vrind
partner (zn) :
deelgenoot, maat, metgezel, medespeler, partij, portuur, teamgenoot

woordverbanden van ‘metgezel’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908):

in hedendaagse spelling:
gezel, genoot, kameraad, maat, makker, metgezel

Gezel — genoot — kameraad — maat — makker — metgezel. Die met een ander in dezelfde omstandigheden verkeert, of tot een zelfden rang of stand behoort. De oorspronkelijke beteekenis van gezel was huisgenoot; later kreeg het de beteekenis van iemand, die met een ander verkeert of omgaat. Metgezel doet het denkbeeld van samenzijn met een ander meer op den voorgrond treden. Genoot, oorspronkelijk die met anderen aan iets deel beeft, is in deze bet. verouderd en komt alleen nog voor bij dichters en in de samenstellingen, bedgenoot, dischgenoot, lotgenoot, reisgenoot enz. Kameraad duidt meer bijzonder gemeenschap van kamer aan, maar wordt ook in ruimeren zin gebruikt b.v. speelkameraad. Het denkbeeld van vriendschap komt bij makker meer op den voorgrond. Dit kan ook het geval zijn met het woord maat; vooral bij gebruik van het verkleinwoord maatje. Goede maatjes met iemand zijn.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
maat, makker, gezel, genoot, kameraad, medemakker, medegezel, metgezel, medeknecht, medemaat, medegenoot

MAAT, MAKKER, GEZEL, GENOOT, KAMERAAD, MEDEMAKKER, MEDEGEZEL, MEDGEZEL, MEDEKNECHT, MEDEMAAT, MEDEGENOOT

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 388.

in hedendaagse spelling:
met, temet, metgezel, medeburger, medelid, medegenoot, medestander, medeplichtig

MET, TE MET, METGEZEL, MEDEBURGER, MEDELID, MEDEGENOOT, MEDESTANDER, MEDEPLIGTIG

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 210.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0019 c