schoelje

als woordenboektrefwoord:

schoelje:
m. (-s), schurk, fielt.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

schoelje (zn):
bandiet, fielt, schobbejak, schoft, schurk, vlegel
schoelje (zn):
geboefte, schorem, tuig

als synoniem van een ander trefwoord:

schurk (zn) :
bandiet, bedrieger, boef, booswicht, deugniet, ellendeling, fielt, galgenbrok, hondsvot, loebas, loeder, onverlaat, oplichter, ploert, schavuit, schelm, schobbejak, schoelje, schoft, slechterik, smiecht, snoodaard, spitsboef
schoft (zn) :
bandiet, ellendeling, hufter, klootzak, loeder, lorejas, ploert, proleet, rotvent, schoelje, schurk, smeerlap, vlegel, vlerk
bandiet (zn) :
boef, gangster, lobbes, loebas, misdadiger, piraat, rover, schoelje, schoft, schooier, schurk, struikrover, vandaal

woordverbanden van ‘schoelje’ grafisch weergegeven

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0024 c