gezwel

als woordenboektrefwoord:

gezwel:
o. (-len), ziekelijk uitwas. gezwelletje, o. (-s).

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

gezwel (zn):
abces, carcinoom, cyste, dikte, fistel, kankergezwel, neoplasma, tumor, uitwas, zwelling

als synoniem van een ander trefwoord:

zwelling (zn) :
buil, dikte, gezwel, gezwollenheid, knobbel, opzetting, uitwas, verdikking, verhevenheid
zweer (zn) :
abces, ettergezwel, gezwel, ontsteking, puist
puist (zn) :
gezwel, karbonkel, pustel, zweer
abces (zn) :
etterbuil, ettergezwel, gezwel
tumor (zn) :
gezwel

woordverbanden van ‘gezwel’ grafisch weergegeven

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
gat, kloof, spleet, steek, houw, hak, schoot, scheur, berst, reet, breuk, kneuzing, buil, striem, kwetsuur, wonde, zeer, zweer, gezwel

GAT, KLOOF, SPLEET, STEEK, HOUW, HAK, SCHOOT, SCHEUR, BERST, REET, BREUK, KNEUZING, BUIL, STRIEM, KWETSUUR, WONDE, ZEER, ZWEER, GEZWEL

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 116.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0025 c