buil

als woordenboektrefwoord:

buil:
v. (-en), gezwel.
buil:
m. (-en), papieren zak; bakkerswerktuig.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

buil (zn):
bobbel, bult, kneuzing, knobbel, zwelling
buil (zn):
buidel, builtje, zakje
buil (zn):
zeef

als synoniem van een ander trefwoord:

zwelling (zn) :
buil, dikte, gezwel, gezwollenheid, knobbel, opzetting, uitwas, verdikking, verhevenheid
knobbel (zn) :
bobbel, buil, bult, knobbeligheid, knop, knor, uitwas, verdikking, zwelling
bult (zn) :
bobbel, buil, knobbel, uitpuiling, uitstulping
bluts (zn) :
buil, buts, deuk, kneuzing
kneuzing (zn) :
blauwe plek, bluts, buil
buidel (zn) :
buil, zak

woordverbanden van ‘buil’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
baal, buidel, buil, zak

Baal — buidel — buil — zak. Omkleedsel van buigzame stof om iets in te verzenden of te bewaren. Baal is een omkleedsel van linnen of matten, dat om koopmansgoederen gewikkeld en vastgenaaid is; zak een vooraf gereed gemaakt omkleedsel, waar goederen in worden gedaan, dat van boven open is en met een touw, dat om de opening gebonden wordt, dichtgemaakt kan worden. Buidel, buil, waarvoor ook zak gebruikt wordt, bezigt men meestal om een kleinen zak aan te duiden, hetzij van papier, hetzij van andere stof. Baal en zak worden soms gebruikt om eene bepaalde hoeveelheid van iets aan te duiden en vertegenwoordigen dan een zekere maat. Honderd balen koffie. Tien zak aardappels. Een buil met koffie.

in hedendaagse spelling:
bult, buil

Bult — buil. Elke harde oneffenheid op de huid noemt men een bult; buil slechts eene huidopzetting of zwelling, welke van voorbijgaanden aard is, of eenige vochtige stof bevat. Door sich te stooten krijgt men een bult of een huil. De etterbuil moest geopereerd worden.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
bult, bochel, buil

BULT, BOGCHEL, BUIL

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 424.

in hedendaagse spelling:
gat, kloof, spleet, steek, houw, hak, schoot, scheur, berst, reet, breuk, kneuzing, buil, striem, kwetsuur, wonde, zeer, zweer, gezwel

GAT, KLOOF, SPLEET, STEEK, HOUW, HAK, SCHOOT, SCHEUR, BERST, REET, BREUK, KNEUZING, BUIL, STRIEM, KWETSUUR, WONDE, ZEER, ZWEER, GEZWEL

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 116.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

buil
buts

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0021 c