hak

als woordenboektrefwoord:

hak:
m. (-ken), het hakken ; houw.
hak:
v. (-ken), krabber om de grond los te maken.
hak:
v. (-ken), hiel; verhoogd achterdeel van schoenen, laarzen enz.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

hak (zn):
bijlslag, kap, kerf, snede, wond
hak (zn):
hiel

als synoniem van een ander trefwoord:

kerf (zn) :
groef, hak, inkeping, inkerving, insnijding, kap, keep, snee
houw (zn) :
hak, jaap, kap, klap, slag, veeg
kap (zn) :
hak, houw, kerf, slag, snee

woordverbanden van ‘hak’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
hak, hiel

Hak — hiel. De hiel is het achterdeel van den voet, de hak dat van den schoen. Voor kousen gebruikt men niet hak, maar hiel. In gemeenzame taal hoort men meer hak dan hiel.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
gat, kloof, spleet, steek, houw, hak, schoot, scheur, berst, reet, breuk, kneuzing, buil, striem, kwetsuur, wonde, zeer, zweer, gezwel

GAT, KLOOF, SPLEET, STEEK, HOUW, HAK, SCHOOT, SCHEUR, BERST, REET, BREUK, KNEUZING, BUIL, STRIEM, KWETSUUR, WONDE, ZEER, ZWEER, GEZWEL

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 116.

in hedendaagse spelling:
hak, hiel

HAK, HIEL

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 229.

in hedendaagse spelling:
hak, houw

HAK, HOUW

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 230.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0026 c