jeuken

als woordenboektrefwoord:

jeuken:
(gejeukt), krieuwelen.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

jeuken (ww):
kriebelen, krieuwelen, wriemelen

als synoniem van een ander trefwoord:

kriebelen (ww) :
jeuken, krabbelen, krieuwelen, wriemelen
wriemelen (ww) :
friemelen, jeuken, kriebelen, peuteren
krieuwelen (ww) :
jeuken, kittelen, kriebelen

woordverbanden van ‘jeuken’ grafisch weergegeven

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
begeren, willen, verstaan, wensen, verlangen, reikhalzen, trek hebben, lust hebben, zin hebben, haken, hijgen, smachten, vlammen, jagen, trachten, zuchten, zwoegen, schreeuwen, hunkeren, jeuken

BEGEEREN, WILLEN, VERSTAAN, WENSCHEN, VERLANGEN, REIKHALZEN, TREK HEBBEN, LUST HEBBEN, ZIN HEBBEN, HAKEN, HIJGEN, SMACHTEN, VLAMMEN, JAGEN, TRACHTEN, ZUCHTEN, ZWOEGEN, SCHREEUWEN, HUNKEREN, JEUKEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 109.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
jeuk

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0023 c