trachten

als woordenboektrefwoord:

trachten:
(trachtte, getracht), pogen, streven naar.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

trachten (ww):
beproeven, nastreven, pogen, proberen, zien, zoeken

als synoniem van een ander trefwoord:

streven (ww) :
aspireren, beogen, beproeven, dingen, jagen, najagen, nastreven, trachten, viseren
nastreven (ww) :
ambiƫren, begeren, beogen, trachten, wensen, zoeken
pogen (ww) :
beproeven, proberen, streven, trachten, zien
proberen (ww) :
ernaar streven, pogen, trachten
zoeken (ww) :
beproeven, proberen, trachten
dingen (ww) :
aspireren, streven, trachten
zien (ww) :
pogen, proberen, trachten

woordverbanden van ‘trachten’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
pogen, zich inspannen, streven, trachten

Pogen — inspannen (zich) — streven — trachten. Zich moeite geven om een doel te bereiken. Pogen, streven en trachten blijven het dichtst bij de grondbeteekenis. Pogen is alle middelen in het werk stellen om iets te doen; trachten is het inspannen der krachten om iets te erlangen; streven drukt hetzelfde uit, maar is sterker. Bij de beide laatste woorden wordt de krachtsinspanning beschouwd als een uitvloeisel van de sterke begeerte van den mensch; bij trachten staat dit echter niet zoo sterk op den voorgrond als bij streven. Wij pogen goed te schrijven; wij trachten zonder fout te schrijven, wij streven naar zuiverheid van taal. De mensch streeft naar geluk. Zich inspannen ziet meer op de spanning der spieren, die bij het zware werk noodig is, en, daar de spieren zinnelijke voorstelling der kracht zijn, duidt het aanwenden van kracht aan. Hij spande zich tot het uiterste in, om het werk op tijd af te krijgen.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
begeren, willen, verstaan, wensen, verlangen, reikhalzen, trek hebben, lust hebben, zin hebben, haken, hijgen, smachten, vlammen, jagen, trachten, zuchten, zwoegen, schreeuwen, hunkeren, jeuken

BEGEEREN, WILLEN, VERSTAAN, WENSCHEN, VERLANGEN, REIKHALZEN, TREK HEBBEN, LUST HEBBEN, ZIN HEBBEN, HAKEN, HIJGEN, SMACHTEN, VLAMMEN, JAGEN, TRACHTEN, ZUCHTEN, ZWOEGEN, SCHREEUWEN, HUNKEREN, JEUKEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 109.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0023 c