schepen

als woordenboektrefwoord:

schepen:
m. (-en), wethouder.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

rechter (zn) :
schepen

woordverbanden van ‘schepen’ grafisch weergegeven

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
schepen, scheppen, trekken, maaien, plukken, oogsten, inzamelen, delachtig worden, machtig worden, meester worden, vermeesteren, overmogen, overheren, bemachtigen, winnen, nemen, veroveren, overweldigen, ten onder brengen

SCHEPEN, SCHEPPEN, TREKKEN, MAAIJEN, PLUKKEN, OOGSTEN, INZAMELEN, DEELAGTIG WORDEN, MAGTIG WORDEN, MEESTER WORDEN, VERMEESTEREN, OVERMOGEN, OVERHEEREN, BEMAGTIGEN, WINNEN, NEMEN, VEROVEREN, OVERWELDIGEN, TEN ONDER BRENGEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 121.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
schip

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.002 c