Vertaling van 'pig' uit het Engels naar het Nederlands

pig (zn):
Domestic swine
krulstaart, varken, zwijn

pig (zn):
A crude block of metal (lead or iron) poured from a smelting furnace
zwijn, smeerlap

pig (zn):
Mold consisting of a bed of sand in which pig iron is cast
zwijn, juut, smeris, varken, zandbed

pig (zn):
Uncomplimentary terms for a policeman
agent, champetter, diender, flic, flik, gerechtsdienaar, glimmerik, juut, klabak, koddebeier, pandoer, politie, politieagent, politieambtenaar, politiebeambte, sjouter, smeris, tuut, veldwachter, wout

pig (zn):
A person regarded as greedy and pig-like
wout

pig (zn):
A coarse obnoxious person
slons, luiaard, smeerlap, viezerik

pig (ww):
Eat greedily
vreten, schransen, binnenspelen, buffelen, bunkeren, metselen, opschransen, opschrokken, opslokken, schrokken, slokken, verslinden, verzwelgen, zwelgen

Via: Ensyns.nl

N.B.: Er zijn geen WikiWoordenboek-resultaten omdat de Dbnary-server niet of niet op tijd heeft geantwoord.