aanlopen

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

aanlopen (ww):
binnenwippen
aanlopen (ww):
duren

als synoniem van een ander trefwoord:

bezoeken (ww) :
aangaan, aanlopen, aanwippen, afkomen, bezichtigen, bijwonen, binnenwippen, buurten, doorzoeken, inspecteren, langsgaan, langskomen, langslopen, onderzoeken, opzoeken
komen (ww) :
aankomen, aanlanden, aanlopen, arriveren, bereiken, naderen, verschijnen
aankomen (ww) :
aanlopen, aanwippen, binnenkomen

woordverbanden van ‘aanlopen’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aanbenen, aanlopen, aanstappen

Aanbeenen — aanloopen — aanstappen. Met vlugge schreden zich ergens heen begeven. Aanstappen geeft te kennen dat men het stappende, met gelijken tred gaande, doet; aanbeenen wordt meer in gemeenzamen stijl gebruikt, en ziet meer op vermeerdering van snelheid dan aanstappen; aanloopen laat in het midden of de beweging in draf of in stap geschiedt. Geef mij uw arm en laat ons wat aanstappen. Jongens, we moesten aanbeenen, wilden we den trein halen! We moeten aanloopen, willen we op lijd er zijn; zouden we het maar niet in den draf zetten. Laat het paard wat aanloopen.

in hedendaagse spelling:
aangaan, aanlopen

Aangaan — aanloopen. Terwijl men op weg is met een ander doel, zich naar iemands woning begeven om hem te spreken of hem iets te zeggen. Het laatste wordt uitsluitend gezegd van een vluchtig bezoek. Ik liep even bij den boekhandelaar aan om een boek te bestellen. Langs zijn huis komende liep ik even bij hem aan. Ik ging bij hem aan om hem over de zaak te spreken.

in hedendaagse spelling:
aanlopen, aanhouden, duren

Aanloopen — aanhouden — duren. Met spoedig een einde nemen. Alleen synoniem als onpersoonlijke werkwoorden, welke het voortgaan gedurende eene tijdruimte uitdrukken van een subject, door het voornw. het aangeduid, en in een anderen zin uitgedrukt. Aanloopen wordt alleen van een betrekkelijk kort tijdsverloop gezegd, aanhouden en duren van langere tijdsruimten. Het zal wel anderhalf uur aanloopen, eer ik terug kan zijn. Het zal lang aanhouden, eer dat werk af is. Het houdt lang aan, duurt lang, eer hij zijn examen doet.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
aanlopen, duren

AANLOOPEN, DUREN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 41.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
aanlopen tegen, aanloop

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0029 c