aanloop

als woordenboektrefwoord:

aanloop:
m. korte, hevige aanval; korte, snelle loop ; inleiding op hetgeen men zeggen wil; bezoek.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

begin (zn) :
aanhef, aanloop, aanvang, aanzet, beginperiode, beginsel, inleiding, intrede, kiem, opening, opkomst, opmaat, prelude, start, vertrek
praktijk (zn) :
aanloop, clientèle, cliënteel, klandizie, klantenbestand, klantenkring, nering
inleiding (zn) :
aanhef, aanloop, entree, intro, introductie, invoering, preambule
bezoek (zn) :
aanloop, gasten, logés, visite
prelude (zn) :
aanloop, aanzet, begin

woordverbanden van ‘aanloop’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aanloop, oploop, toeloop

Aanloop — oploop — toeloop. Eene beweging met de voeten naar een bepaald doel. Aanloop is het tot iemand komen van personen, doch zonder dat het begrip van gelijktijdigheid hierbij op den voorgrond staat. Daar hij zijne kamer aan de Breestraat had, had hij nog al eens aanloop van vrienden. Toeloop drukt eene samenkomst van veel personen te gelijkertijd uit. Die predikant heeft veel toeloop. Van eene groote samenkomst die opschudding geeft, bezigt men oploop.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
aanloop, toeloop

AANLOOP, TOELOOP

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 39.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

aanloop
uitloop

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0025 c