oploop

als woordenboektrefwoord:

oploop:
m. (...lopen), opschudding, samenscholing.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

oploop (zn):
samenscholing

als synoniem van een ander trefwoord:

opschudding (zn) :
alarm, alteratie, bedoening, beroering, beweging, commotie, consternatie, deining, drukte, gedoe, geraas, gerucht, heisa, herrie, kabaal, keet, omwenteling, ontsteltenis, ontwrichting, ophef, oploop, opwinding, rel, reuring, rumoer, ruzie, schrik, sensatie, spektakel, tumult, verwarring, wanorde
herrie (zn) :
begankenis, bonje, commotie, drukte, heibel, keet, krach, oploop, opschudding, rel, ruzie, stampei, stampij, trammelant

woordverbanden van ‘oploop’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aanloop, oploop, toeloop

Aanloop — oploop — toeloop. Eene beweging met de voeten naar een bepaald doel. Aanloop is het tot iemand komen van personen, doch zonder dat het begrip van gelijktijdigheid hierbij op den voorgrond staat. Daar hij zijne kamer aan de Breestraat had, had hij nog al eens aanloop van vrienden. Toeloop drukt eene samenkomst van veel personen te gelijkertijd uit. Die predikant heeft veel toeloop. Van eene groote samenkomst die opschudding geeft, bezigt men oploop.

in hedendaagse spelling:
beroerten, beroeringen, muiterij, onlusten, oploop, oproer, opstand, standje

Beroerten — beroeringen — muiterij — onlusten — oploop — oproer — opstand — standje. Verstoring der orde. Standje is een straattwist, waarbij het publiek geen andere rol dan die van toeschouwer vervult om zich te vermaken. Bij oploop ligt aan het samen-stroomen der menigte eene onrustige en oproerige beweging der gemoederen ten grondslag. Slaat deze beweging tot gewelddadigheid over, dan ontstaat er oproer. Een verzet van soldaten tegen hunne officieren, maar ook weerspannigheid tegen de gestelde machten in het algemeen, is muiterij. Is de muiterij niet van voorbijgaanden aard en breidt zij zich uit, dan wordt zij een opstand. Onlusten, beroeringen en beroerten (beide laatstgenoemde woorden tegenwoordig minder in gebruik) zijn langdurige burgertwisten. De Nederlandsche beroerten in de zestiende eeuw.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
beroerte, beweging, muiterij, onlust, oploop, oproer, opstand, weerspannigheid

BEROERTE, BEWEGING, MUITERIJ, ONLUST, OPLOOP, OPROER, OPSTAND, WEERSPANNIGHEID

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 308.

in hedendaagse spelling:
oploop, opschudding, gewoel, gejoel, getier, gerucht, rumoer, teugelloosheid, moedwil, euvelmoed, baldadigheid, geweld, plundering

OPLOOP, OPSCHUDDING, GEWOEL, GEJOEL, GETIER, GERUCHT, RUMOER, TEUGELLOOSHEID, MOEDWIL, EUVELMOED, BALDADIGHEID, GEWELD, PLUNDERING

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 319.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0027 c