naderen

als woordenboektrefwoord:

naderen:
(genaderd), dichterbij komen.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

komen (ww) :
aankomen, aanlanden, aanlopen, arriveren, bereiken, naderen, verschijnen
bereiken (ww) :
benaderen, naderen
opzetten (ww) :
opstomen, naderen
aanzetten (ww) :
naderen
lopen (ww) :
naderen

woordverbanden van ‘naderen’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aankomen, naderen

Aankomen — naderen. Het verminderen van den afstand, die ons van een voorwerp scheidt. Kaderen geeft eene vermindering te kennen, die op eene of andere wijze is waar te nemen. Bij aankomen denkt men meer aan het voorwerp dat nadert. De trein nadert; hij voelde zijn einde naderen; daarentegen: De trein komt er nog niet aan. Op het bereiken van het doel ziet aankomen, als men zegt: De goederen zijn aangekomen. Nu komt de zomer weder aan. Hoe laat komt de trein aan?

in hedendaagse spelling:
genaken, naken, naderen

Genaken (naken) — naderen. Naderbij of nabij komen. Het eerste is de beteekenis van naderen; het tweede van genaken (naken). Het schip nadert de kust (zeilt op de kust aan). Het schip kon wegens de hevige branding het strand niet genaken. Hij is niet te genaken = hij is zoo trotsch, dat men hem niet naderen kan.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
naderen, genaken

30. Naderen — genaken.

In de nabijheid komen.

Naderen wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende voorwerp komt dus dichterbij. De trein nadert. Het schip nadert de reede.

Genaken is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins mogelijk is: men wil het (of hem) bereiken. Door de hitte van het brandende huis kon men de deur niet meer genaken.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
aankomen, komen, naderen

AANKOMEN, KOMEN, NADEREN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 31.

in hedendaagse spelling:
naken, genaken, naderen

NAKEN, GENAKEN, NADEREN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, bladzijde 466.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0024 c