uitsparen

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

uitsparen (ww):
besparen, bezuinigen, economiseren, inwinnen, sparen
uitsparen (ww):
niet invullen, openlaten
uitsparen (ww):
overslaan

als synoniem van een ander trefwoord:

sparen (ww) :
beknibbelen, bewaren, bezuinigen, opsparen, opzamelen, opzij leggen, potten, uitsparen, verzamelen, zich ontzeggen
besparen (ww) :
schrappen, sparen, uitsparen, uitwinnen, winnen, zich ontzeggen
beknibbelen (ww) :
besparen, bezuinigen, inhouden, korten, uitsparen
sparen (ww) :
besparen, bezuinigen, uitsparen
uithalen (ww) :
uitsparen

woordverbanden van ‘uitsparen’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
besparen, uitsparen, uitwinnen

Besparen — uitsparen — uitwinnen. Besparen en uitsparen zijn in zoover van uitwinnen te onderscheiden, dat de eerste het ter zijde leggen of niet aanwenden aanduiden, terwijl uitwinnen meer het zich besparen van grooter moeite of meer geld te kennen geeft, door zich terstond eene geringere moeite of uitgave te getroosten. Terwijl besparen meer ziet op het niet aanwenden van iets, heeft men bij uitsparen meer het oog op het behouden van het uitgespaarde, voor mogelijk later gebruik. Ik zal u die. kosten en moeite besparen. Men kan zichzelf of een ander geld besparen, doen uitwinnen, ook arbeid besparen, in welk geval besparen beteekent de inspanning, welke die arbeid zou vereischen, onnoodig maken. Door wekelijks eene kleinigheid af te zonderen, heeft hij een aardig sommetje bespaard. Ik zal u de moeite van het heen en weer loopen besparen door dit lijstje, dat u den weg wijst, dien gij te volgen hebt; dat zal u minstens een paar uur uitsparen, en zoo zult ge dus nog heden avond weder huiswaarts kunnen keeren. Ik zal hem, nu hij in de stad is, terstond gaan opzoeken, dat wint mij eene reis uit. Vgl. sparen.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
sparen, besparen, oversparen, bezuinigen, uitzuinigen, uitsparen, ontsparen

SPAREN, BESPAREN, OVERSPAREN, BEZUINIGEN, UITZUINIGEN, UITSPAREN, ONTSPAREN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, bladzijde 170.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0021 c