korten

als woordenboektrefwoord:

korten:
(kortte, gekort), korter worden of maken ; aftrekken (bij een betaling).

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

korten (ww):
beknotten, beperken, besnoeien, knotten
korten (ww):
aftrekken, inhouden, verminderen
korten (ww):
doden, doorbrengen, verdrijven
korten (ww):
inkorten, knippen, snoeien
korten (ww):
baten, helpen
korten (ww):
verkorten

als synoniem van een ander trefwoord:

inhouden (ww) :
afboeken, afhouden, afschrijven, aftrekken, beknibbelen, besparen, bezuinigen, korten, minderen
doorbrengen (ww) :
besteden, korten, passeren, slijten, vertoeven, zoekbrengen
aftrekken (ww) :
afhouden, inhouden, korten, minderen, verminderen met
beknibbelen (ww) :
besparen, bezuinigen, inhouden, korten, uitsparen
baten (ww) :
afkorten, dienen, helpen, korten, voordeel geven
besparen (ww) :
bezuinigen, korten, ombuigen, beknibbelen
afhouden (ww) :
aftrekken, inhouden, korten, onttrekken
helpen (ww) :
baten, bevorderen, korten, werken
knotten (ww) :
fnuiken, korten, snoeien

woordverbanden van ‘korten’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
afhouden, aftrekken, inhouden, korten

Afhouden — aftrekken — inhouden — korten. Het bedrag eener som geld, die men betaalt, verminderen. Men houdt of trekt eene tegenvordering af van de som, die men zelf te betalen heeft; men houdt in op een loon of een traktement, b.v. om iemand in staat te stellen een genoten voorschot bij gedeelten terug te geven, eene achterstallige schuld bij gedeelten af te doen, of een stuivertje tegen den kwaden dag te besparen; men staat iemand toe een zeker percent te korten van het bedrag, dat hij te betalen heeft, of men kort iemand op zijn loon of zijne rekening om eene werkelijke of vermeende tegenvordering op te heffen. Op verzoek der schuldeischers werd elk kwartaal een belangrijk deel van zijn traktement ingehouden. Zie hier uw geld, de verschotten heb ik er afgehouden. Ik zal u iedere week een gulden van uw loon inhouden, dan hebt ge van den winter ten minste geen broodsgebrek. Daar de som spoedig betaald werd, heeft men hem toegestaan vijf percent te korten.

in hedendaagse spelling:
afkorten, bekorten, inkorten, korten, opkorten, verkorten

Afkorten — bekorten — inkortenkorten — opkorten — verkorten. Korter, kleiner maken of worden. Korten is het grondwoord en had de meest algemeene beteekenis. Het wordt nu echter meestal gezegd van eene schuld, (zie Afhouden) en van den tijd. In 't laatste geval beteekent het verdrijven: zij kortten zich den tijd met een spelletje. Bij afkorten staat het denkbeeld op den voorgrond, dat men van een geheel iets afneemt om het kleiner te maken: eene plank, de nagels worden afgekort. Bekorten wordt vooral gezegd van eene reis of eene redevoering, wanneer men zijn doel op snellere wijze wil bereiken, door een korteren weg te nemen, of iets weg te laten. Het verschilt dus in zooverre van afkorten, dat bij 't laatste aan het eene uiteinde iets wordt weggenomen, terwijl bij bekorten de weglating tusschen de uiteinden geschiedt. Inkorten en opkorten komen zoowel trans. als intrans. voor; in 't laatste geval worden zij vaak door elkander gebruikt, hoewel er feitelijk dit verschil tusschen bestaat, dat inkorten zonder meer zegt, dat iets kleiner wordt, terwijl men bij opkorten denkt aan het feit, dat er weldra niets meer over zal zijn. De brandstof kort in; de weg, de tijd begon al aardig op te korten. Transitief worden zij meestal in eigenl. zin gebezigd; inkorten is dus kleiner maken door in te trekken of plooien te leggen, opkorten door omhoog te halen; de stijgbeugels inkorten; een mouw of rok opkorten. In fig. zin worden zij meestal vervangen door verkorten, dat de meest algemeene beteekenis heeft: een kleedingstuk, een geschrift, iemands eer of rechten verkorten.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
kort

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0023 c