aftrekken

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

aftrekken (ww):
afhouden, inhouden, korten, minderen, verminderen met
aftrekken (ww):
afrukken, handkarren, masturberen, onaneren
aftrekken (ww):
lostrekken, uittrekken
aftrekken (ww):
weggaan, wegtrekken
aftrekken (ww):
afschrijven
aftrekken (ww):
verminderen
aftrekken (ww):
afleiden

als synoniem van een ander trefwoord:

weggaan (ww) :
afdruipen, afreizen, afstrijken, aftaaien, aftrekken, ertussenuit knijpen, ervandoor gaan, heengaan, inrukken, 'm smeren, moven, opbreken, opkramen, opkrassen, opstappen, verdwijnen, vertrekken, weglopen, zich verwijderen
openen (ww) :
aftrekken, loshaken, ontkurken, ontsluiten, ontzegelen, opendoen, opendraaien, openmaken, opentrekken, openvouwen, openzetten, uitpakken
inhouden (ww) :
afboeken, afhouden, afschrijven, aftrekken, beknibbelen, besparen, bezuinigen, korten, minderen
uittrekken (ww) :
aftrekken, extraheren, lostrekken, trekken, uithalen, uitrukken
afleiden (ww) :
afbrengen, aftappen, aftrekken, afwenden, wegleiden, wegvoeren
bevredigen (ww) :
aftrekken, klaarmaken, masturberen, onaneren
afhouden (ww) :
aftrekken, inhouden, korten, onttrekken
korten (ww) :
aftrekken, inhouden, verminderen
trekken (ww) :
aftrekken, masturberen, rukken
afrukken (ww) :
aftrekken, masturberen
stropen (ww) :
afschuiven, aftrekken
afstropen (ww) :
afstoppen, aftrekken
wegtrekken (ww) :
aftrekken, weghalen
afschrijven (ww) :
aftrekken

woordverbanden van ‘aftrekken’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
afhouden, aftrekken, inhouden, korten

Afhouden — aftrekken — inhouden — korten. Het bedrag eener som geld, die men betaalt, verminderen. Men houdt of trekt eene tegenvordering af van de som, die men zelf te betalen heeft; men houdt in op een loon of een traktement, b.v. om iemand in staat te stellen een genoten voorschot bij gedeelten terug te geven, eene achterstallige schuld bij gedeelten af te doen, of een stuivertje tegen den kwaden dag te besparen; men staat iemand toe een zeker percent te korten van het bedrag, dat hij te betalen heeft, of men kort iemand op zijn loon of zijne rekening om eene werkelijke of vermeende tegenvordering op te heffen. Op verzoek der schuldeischers werd elk kwartaal een belangrijk deel van zijn traktement ingehouden. Zie hier uw geld, de verschotten heb ik er afgehouden. Ik zal u iedere week een gulden van uw loon inhouden, dan hebt ge van den winter ten minste geen broodsgebrek. Daar de som spoedig betaald werd, heeft men hem toegestaan vijf percent te korten.

in hedendaagse spelling:
afkeren, afleiden, aftrekken, afwenden

Afkeeren — afleiden — aftrekken — afwenden. Van richting doen veranderen. Afwenden, af keeren is: iets dat zich in zekere richting beweegt, tegenhouden, verhinderen dat het er in voorgaat. Afkeeren drukt dit begrip sterker uit dan afwenden. Een gevaar afkeeren onderstelt een rechtstreeksch optreden tegen hetgeen dreigt; bij afwenden let men minder op het tegengaan, dan wel op het geven van eene andere richting aan het bedreigende, zoodanig dat hij, die er door bedreigd wordt, geen gevaar meer loopt. Het voetvolk keerde den aanval der ruiterij af, doch hiermede was alle gevaar voor het leger niet afgewend. Afleiden is langzamerhand van richting doen veranderen. Het water eener rivier afleiden. Fig. Iemands gedachten afleiden. Aftrekken is iets zóó afleiden, dat de oorspronkelijke richting geheel verlaten en door eene andere vervangen wordt. Hij liet zich afleiden door het gepraat en gewoel om zich heen. Op hetzelfde oogenblik werd mijne aandacht afgetrokken door hetgeen om mij heen voorviel.

in hedendaagse spelling:
afrukken, afscheuren, aftrekken

Afrukken — afscheuren — aftrekken. Met krachtige beweging iets, dat aan iets anders vast zit, los maken. Aftrekken ziet meer op de kracht die hierbij aangewend wordt, en veronderstelt niet een moeilijk scheidbaar verband. Bij afscheuren is dit wel het geval; hierbij wordt met geweld een deel van het geheel, of iets, dat aan of op iets anders vastzit, afgetrokken. Afrukken veronderstelt, dat er plotselinge scheuring of verbreking bij plaats heeft. Bij uitbreiding: personen, die als door een band aan elkaar verbonden zijn, van elkander verwijderen.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
afkeren, afleiden, afwenden, aftrekken

145. Afkeeren — afleiden — afwenden — aftrekken.

Van richting veranderen.

Afkeeren onderstelt, dat de richting veranderd wordt, doordat men het naderende voorwerp weet te doen keeren, d.i. draaien in tegengestelde richting. Ook wenden beteekent wel keeren of draaien, maar meer in een zijdelingsche richting. Een gevaar afkeeren wil dus zeggen: maken, dat het zich in tegengestelde richting van ons verwijdert, of dat het teruggaat; het gevaar afwenden beteekent: het gevaar een andere (zijdelingsche) richting geven, zoodat het niet ons, maar mogelijk wel een ander treft. Afkeeren, dat dus een rechtstreeksch optreden, een af doenden maatregel onderstelt, is derhalve sterker dan afwenden; hierbij toch blijft feitelijk het gevaar bestaan. Toeh wordt afkeeren meer en meer door afwenden vervangen.

Afleiden is ook wel een andere richting aan iets geven, doch wijst een langzame, bijna ongemerkte richting aan; de beweging blijft wel bestaan, doch men leidt ze, zoo-als men ze verlangt. Toen zij in haar onderhoud die onaangename zaak dreigde aan te roeren, wist hij behendig het gesprek daarvan af te leiden.

Aftrekken is sterker dan afleiden; het wijst niet alleen aan, dat de richting geheel wordt verlaten, maar ook, dat dit met meer of minder kracht geschiedt. (Denk aan trekken!) Hij heeft zich van de wereld afgetrokken, om zich aan godsdienstige overpeinzingen te wijden.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
afhouden, afkorten, aftrekken, onthouden

AFHOUDEN, AFKORTEN, AFTREKKEN, ONTHOUDEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 110.

in hedendaagse spelling:
afkeren, afleiden, aftrekken, afwenden

AFKEEREN, AFLEIDEN, AFTREKKEN, AFWENDEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 113.

in hedendaagse spelling:
uitwijken, ontwijken, wijken, deinzen, mijden, ontgaan, ontvlieden, vlieden, vluchten, verstuiven, aftrekken

UITWIJKEN, ONTWIJKEN, WIJKEN, DEINZEN, MIJDEN, ONTGAAN, ONTVLIEDEN, VLIEDEN, VLUGTEN, VERSTUIVEN, AFTREKKEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 24.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

aftrekken
optellen
zie ook:
aftrek

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0021 c