afhouden

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

afhouden (ww):
beletten, tegenhouden, weerhouden, weghouden
afhouden (ww):
aftrekken, inhouden, korten, onttrekken
afhouden (ww):
ophouden

als synoniem van een ander trefwoord:

afwenden (ww) :
afhouden, afslaan, afweren, afwimpelen, bezweren, keren, pareren, tegenhouden, verhinderen, verhoeden, verijdelen, voorkomen
ophouden (ww) :
afhouden, cesseren, dichtgaan, een einde nemen, eindigen, opgeven, pauzeren, stilstaan, stoppen, uitscheiden
inhouden (ww) :
afboeken, afhouden, afschrijven, aftrekken, beknibbelen, besparen, bezuinigen, korten, minderen
weerhouden (ww) :
afhouden, beletten, ophouden, tegenhouden, terughouden, verhinderen
aftrekken (ww) :
afhouden, inhouden, korten, minderen, verminderen met
afdraaien (ww) :
afhouden, afwenden, wegdraaien

woordverbanden van ‘afhouden’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
afhouden, aftrekken, inhouden, korten

Afhouden — aftrekken — inhouden — korten. Het bedrag eener som geld, die men betaalt, verminderen. Men houdt of trekt eene tegenvordering af van de som, die men zelf te betalen heeft; men houdt in op een loon of een traktement, b.v. om iemand in staat te stellen een genoten voorschot bij gedeelten terug te geven, eene achterstallige schuld bij gedeelten af te doen, of een stuivertje tegen den kwaden dag te besparen; men staat iemand toe een zeker percent te korten van het bedrag, dat hij te betalen heeft, of men kort iemand op zijn loon of zijne rekening om eene werkelijke of vermeende tegenvordering op te heffen. Op verzoek der schuldeischers werd elk kwartaal een belangrijk deel van zijn traktement ingehouden. Zie hier uw geld, de verschotten heb ik er afgehouden. Ik zal u iedere week een gulden van uw loon inhouden, dan hebt ge van den winter ten minste geen broodsgebrek. Daar de som spoedig betaald werd, heeft men hem toegestaan vijf percent te korten.

in hedendaagse spelling:
afhouden, beletten, tegenhouden, terughouden, verhinderen

Afhouden — beletten — tegenhouden — terughouden — verhinderen. Maken dat iemand zich van eene handeling onthoudt, niet tot zijn doel kan komen. Afhouden is maken dat men iets niet kan naderen, en dus niet tot aanpakken of handelen kan komen: iemand van het werk afhouden. Terughouden is, door iemand op de plaats zelf te houden, maken, dat hij niet tot de uitvoering van hetgeen hij zich voorgenomen heeft, kan overgaan: iemand van het ten uitvoer brengen eener grootsche daad terughouden. Verhinderen en tegenhouden veronderstellen, dat men iemand in de uitvoering van een plan moeilijkheden in den weg legt, die hem kunnen noodzaken van zijn pogen af te zien. Bij beletten meent men er zeker van te zijn, dat men dezen uitslag zal verkrijgen. Tegenhouden wordt ten opzichte van personen gebruikt, verhinderen van daden; beide noodzaken iemand van zijn pogen af zien. De gedachte, dat hij mijn weldoener is, zou mij reeds teruggehouden (of weerhouden) hebben, hem aan te vallen, wanneer de onmogelijkheid om hem te bereiken, mij daarin ook niet verhinderd had. Ken oogenblik kon men den vijand tegenhouden, doch men kon hem niet beletten eene goede stelling in te nemen. Een geregelde aftocht werd door de ruiterij van den vijand verhinderd.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)*:

in hedendaagse spelling:
beletten, verhinderen, tegenhouden, weerhouden, afhouden, terughouden

169. Beletten — verhinderen — tegenhouden of weerhouden — afhouden — terughouden.

Veroorzaken, dat iemand een of andere handeling niet kan verrichten.

Afhouden zegt, dat men iemand ergens vandaan houdt, zoodat hij niet met zijn daad kan beginnen. Een hond van zich afhouden. Wij hebben hem. van dit dwaze plan afgehouden.

Terughouden wijst er op, dat hij wel reeds bijna aan de behandeling begonnen is, maar dat hij door onze tusschenkomst niet verder kan komen. Slechts met groote moeite slaagde ik er in, hem nog ter elfder ure van die dwaze onderneming terug te houden.

Tegenhouden ziet er op, dat men iemand hindernissen in den weg legt (bij afhouden en terughouden gebruikt men meer dwang of overreding), evenals verhinderen (van hinder), zoodat men hem tracht te noodzaken van zijn plan af te zien; tegenhouden wordt van den persoon zelf gezegd, terwijl verhinderen meer slaat op de daad, die men wil voorkomen. Hij liet zich door al de bezwaren, die hem in den weg gelegd werden, niet tegenhouden, zijn plan te volvoeren. De veldheer tuist te verhinderen, dat de vijand hem in den rug aanviel.

Terwijl tegenhouden en verhinderen onderstellen, dat iemand reeds pogingen gedaan heeft om iets te bereiken, maar in de verdere voortzetting wordt gestuit, wijst be-

letten er op, dat hem zelfs die poging onmogelijk gemaakt is; het woord is dus sterker dan de eerste twee. De veldheer wist te beletten, dat de vijand hem in den rug aanviel.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
afhouden, afkorten, aftrekken, onthouden

AFHOUDEN, AFKORTEN, AFTREKKEN, ONTHOUDEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 110.

in hedendaagse spelling:
afhouden, hinderen, terughouden, verhinderen

AFHOUDEN, HINDEREN, TERUG HOUDEN, VERHINDEREN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 111.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

afhouden
bevorderen, optellen, stimuleren

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0024 c