werken

als woordenboektrefwoord:

werken:
(gewerkt, soms: gewrocht), arbeiden.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

werken (ww):
baten, beïnvloeden, dienen, effect sorteren, helpen, invloed hebben, invloed hebben op, invloed uitoefenen op, uitwerken
werken (ww):
aan staan, doen, draaien, functioneren, gaan, lopen, marcheren, opereren
werken (ww):
bewegen, krimpen, scheuren, uitzetten, verzakken
werken (ww):
arbeiden, bezig zijn, zich inspannen, zwoegen
werken (ww):
kromtrekken, scheeftrekken
werken (ww):
gisten, fermenteren

als synoniem van een ander trefwoord:

dienen (ww) :
dienst doen, figureren, functioneren, fungeren, occuperen, opereren, optreden, werken
opereren (ww) :
functioneren, handelen, handelend optreden, optreden, te werk gaan, werken
lopen (ww) :
draaien, functioneren, gaan, in bedrijf zijn, marcheren, werken
functioneren (ww) :
draaien, in bedrijf zijn, lopen, opereren, werken
draaien (ww) :
functioneren, in bedrijf zijn, lopen, werken
marcheren (ww) :
functioneren, gaan, lopen, vorderen, werken
zich bezighouden (ww) :
werken, zich occuperen, zich ophouden
helpen (ww) :
baten, bevorderen, korten, werken
dienst doen (ww) :
functioneren, fungeren, werken
ageren (ww) :
handelen, optreden, werken
doen (ww) :
functioneren, werken
aanstaan (ww) :
draaien, werken
arbeiden (ww) :
werken
gaan () :
functioneren, lopen, marcheren, werken

woordverbanden van ‘werken’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
arbeiden, werken, slaven, sloven, zwoegen

Arbeiden — werken — slaven — sloven — zwoegen. Tusschen arbeiden en werken bestaat hetzelfde onderscheid als tusschen arbeid en werk, hoewel arbeiden (vooral door invloed van het Hoogd.) in sommige, gevallen, niet met het bijdenkbeeld gepaard gaat, dat het meer inspanning-vereischt dan werken. Bij de drie laatste woorden staat het zware en ver-. moeiende van den arbeid op den voorgrond. Zwoegen zegt men van arbeid verrichten, die iemands krachten bijna te boven gaat; sloven gaat met het bijdenkbeeld gepaard, dat de te verrichten arbeid moeilijk en langdurig is, en dubbel zwaar valt door getob, zorg en kommer waaronder hij geschiedt, terwijl slaven gebezigd wordt van het verrichten van een gedwongen, harden, rusteloozen arbeid, waarbij de mensch zich vernederd gevoelt.

in hedendaagse spelling:
bedrijven, doen, handelen, maken, vervaardigen, verrichten, volbrengen, werken

Bedrijven — doen — handelen — maken — vervaardigen — verrichten — volbrengen — werken. Zijne kracht aanwenden om iets tot stand te brengen. Doen is het algemeene begrip, en wordt van elke uiting van kracht gezegd, onverschillig of deze van den mensch, het dier, of van eene natuurkracht of een begrip uitgaat. Men zegt evenzeer: wat doet de mensch en wat doet de hond als wat zou het weer willen doen en wat doet des menschen geloof tot zijne zaligheid. Handelen wordt vooral gebezigd van de door verstand en wil veroorzaakte werkzaamheid van redelijke wezens; van levenlooze stoffen en van dieren gebruikt men werken. Het middel begint te werken. De spinnen werken. Werken onderstelt altoos een uitwerksel, een gewrocht. Verrichten wordt meestal gebezigd van het volbrengen van een werk, dat op eene bepaalde wijze moet geschieden; zijne dagelijksche bezigheden verrichten. Verrichten grenst in zijne beteekenis aan volbrengen (z. Afdoen); het heeft echter meer de handeling zelf op het oog, terwijl volbrengen meer op het resultaat ziet. Maken onderscheidt zich van doen hierdoor, dat de werking altijd onder het bereik der linnen valt, en gewoonlijk ook iets duurzaams achterlaat. (Eene wandeling, eene reis, een tocht maken zijn uitdrukkingen in strijd met het Nederlandsche taaleigen, dat hier doen vereischt). Vervaardigen voegt aan de beteekenis van maken die van voltooien toe. Gelijk verrichten doorgaans in een goeden zin gebruikt wordt, komt bedrijven meest altijd in een slechten zin voor, b.v. eene edele daad verrichten, een snood stuk bedrijven.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
bedrijven, doen, handelen, maken, verrichten, vervaardigen, werken

BEDRIJVEN, DOEN, HANDELEN, MAKEN, VERRIGTEN, VERVAARDIGEN, WERKEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 228.

in hedendaagse spelling:
verrichten, uitrichten, uitvoeren, bedrijven, plegen, doen, toedoen, medewerken, werken, uitwerken, bewerken, bewerkstelligen

VERRIGTEN, UITRIGTEN, UITVOEREN, BEDRIJVEN, PLEGEN, DOEN, TOEDOEN, MEDEWERKEN, WERKEN, UITWERKEN, BEWERKEN, BEWERKSTELLIGEN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 1, bladzijde 396.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

werken
luieren, weigeren
zie ook:
in de hand werken, werken aan, werk

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
ANW - WNT (i) (ii) - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - Wikipedia - Google

debug info: 0.0026 c