afdoen

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

afdoen (ww):
afhandelen, afmaken, afraffelen, afwerken, beëindigen, termineren, volbrengen
afdoen (ww):
afbinden, afgooien, afleggen, afwerpen, afzetten
afdoen (ww):
betalen, solveren, vereffenen, voldoen
afdoen (ww):
afnemen, uitdoen, uittrekken
afdoen (ww):
klasseren, schikken
afdoen (ww):
ontdoen, wegnemen
afdoen (ww):
schoonmaken
afdoen (ww):
behandelen

als synoniem van een ander trefwoord:

schoonmaken (ww) :
afbijten, afborstelen, afdoen, afnemen, afspoelen, afvegen, boenen, kuisen, leeghalen, ontsmetten, opkuisen, opschonen, poetsen, reinigen, schrobben, schuren, spoelen, stoffen, uitbaggeren, uitmesten, vagen, vegen, wassen, zuigen, zuiveren
vereffenen (ww) :
afdoen, afhandelen, aflossen, afsluiten, betalen, delgen, justeren, liquideren, regelen, solveren, verrekenen, voldoen
schikken (ww) :
accommoderen, afdoen, beklinken, bijleggen, in orde brengen, organiseren, plooien, regelen, reguleren, vereffenen
uitdoen (ww) :
afdoen, afnemen, afzetten, uitdoven, uitdraaien, uithalen, uitmaken, uitnemen, uitschakelen, uittrekken
stellen (ww) :
afdoen, afhandelen, afsluiten, afwerken, afwikkelen, rechtzetten, vereffenen, verrekenen
aflossen (ww) :
aanzuiveren, afdoen, amortiseren, delgen, inlossen, terugbetalen, voldoen
afnemen (ww) :
afdekken, afdoen, afhalen, afruimen, afstoffen, stoffen, uitdoen, weghalen
ontdoen (ww) :
afdoen, beroven, bevrijden, ontbloten, ontkleden, ontlasten, vrijmaken
afwerpen (ww) :
afdoen, afgooien, afschudden, afsmijten, neerwerpen
wegnemen (ww) :
afdoen, afnemen, afzetten, verdrijven, verwijderen
afrekenen (ww) :
afdoen, betalen, straffen, vereffenen, voldoen
voldoen (ww) :
afdoen, bevredigen, tevredenstellen, volstaan
uittrekken (ww) :
afdoen, afleggen, afnemen, uitdoen
afleggen (ww) :
afdoen, neerleggen, uittrekken
afhandelen (ww) :
afdoen, afwerken, regelen
klasseren (ww) :
afdoen, seponeren
afzetten (ww) :
afdoen, afnemen

woordverbanden van ‘afdoen’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
afbetalen, afdoen, uitbetalen, voldoen

Afbetalen — afdoen — uitbetalen — voldoen. Het vereffenen van eene schuld. Afbetalen en afdoen worden ook gebezigd voor eene bloote vermindering van schuld; voldoen onderstelt, dat de schuld geheel vereffend, te niet gedaan wordt. Uitbetalen gebruikt men van die gelden, waarop iemand, als loon, traktement, pensioen enz., uit de eene of andere openbare of bijzondere kas aanspraak heeft. Afdoen en voldoen worden ook overdrachtelijk gebezigd op zedelijk gebied.

Als ick mijn schulden afbetaal Verbeter ick mijn kapitaal.

Zijne achterstallige schuld afdoen. Aan zijne verplichtingen voldoen.

in hedendaagse spelling:
afdoen, afleggen, afwerpen, afzetten, uitdoen, uitschieten, uittrekken

Afdoen — afleggen — afwerpen — afzetten — uitdoen — uitschieten — uittrekken. Het zich ontdoen van kleedingstukken of sieraden. Afleggen verschilt hierin van afdoen, dat het onderstelt dat het afdoen met zorg geschiedt, en dat het afgedane behoorlijk wordt weggelegd. Bij uitbreiding ook: voor goed ter zijde leggen, om het niet weer aan te doen. Figuurlijk wordt het ook gebezigd van hoedanigheden, gezindheden, enz. Zijne kroon afleggen; wrok, haat, angst, rouw, droefheid afleggen. Afwerpen staat tegenover aandoen; uitschieten en uittrekken tegenover aanschieten en aantrekken; zie bij Aandoen.

in hedendaagse spelling:
afdoen, afmaken, eindigen, ten einde brengen, volbrengen, voleinden, voleindigen, voltooien, volvoeren

Afdoen — afmaken — eindigen (transitief) — ten einde brengen — volbrengen — voleinden — voleindigen — voltooien — volvoeren. Iets ten einde toe verrichten. Eindigen drukt eenvoudig uit, dat het einde van iets bereikt wordt, 't zij dat men er opzettelijk een eind aan maakt, 't zij, dat men het bereikt door het het laatste gedeelte aan het geheel toe te voegen. Het was bijna posttijd; hij eindigde dus zijn brief, hoewel hij lang niet alles had geschreven, wat hij van plan was. We hebben ons werk geëindigd. Ten einde brengen zegt, zonder meer, dat men aan een voorgenomen of opgedragen arbeid heeft gedaan, wat men er aan doen kon; het laat in 't midden of dit einde goed, dan wel verkeerd is. Hij heeft zijn arbeid ten einde gebracht, maar men moet niet vragen hoe. Volbrengen en volvoeren drukken uit, dat men geregeld voortwerkt aan eene opgedragen of voorgenomen taak, meestal met het bijdenkbeeld, dat er veel moeite aan verbonden is. Volbrengen ziet meer op de werking, volvoeren op het voortbrengsel daarvan. Ditzelfde geldt van afdoen en afmaken, die te kennen geven, dat er aan de zaak of den arbeid niets meer te doen overblijft. „Het is volbracht." Hij volbrengt zijne moeilijke taak met geduld en opgewektheid. Hij wist den hem gegeven last te volvoeren ondanks aller tegenwerking. Ik moet nog een opstel afmaken, dan is mijne taak afgedaan. Voltooien, voleindigen en het deftige voleinden geven te kennen, dat het laatste gedeelte van iets verricht wordt, maar met het bijdenkbeeld van daardoor teweeggebrachte volkomenheid. Zij laten zich dus alleen in die gevallen gebruiken, waarin onze werkzaamheid tot de eene of andere schepping heeft geleid, en wel bepaaldelijk tot eene zoodanige, waarvoor eene niet geringe mate van talent of kunstvaardigheid en volharding vereischt wordt. De Keulsche dom bleef jarenlang onvoltooid. De Heere zal het voor mij voleindigen. (Ps. 138 : 8).

in hedendaagse spelling:
afdoen, beslissen

Afdoen — beslissen. Eene zaak uitmaken, eene bestaande onzekerheid wegnemen. Afdoen geeft te kennen, dat de zaak of het geschil zóó besproken of behandeld wordt, dat men er later niet weer op terug behoeft te komen, waartoe trouwens de betrokken partijen zich stilzwijgend verbinden; beslissen duidt hetzelfde aan, maar geeft tevens te kennen, dat er niets verder aan te doen is. Dit punt is dus afgedaan, zoodat we er niet verder over behoeven te spreken. Een afdoend argument. Eene beslissende uitspraak. De beslissing is gevallen; er is niets meer aan te doen.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
afbetalen, afdoen, uitbetalen, voldoen

AFBETALEN, AFDOEN, UITBETALEN, VOLDOEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 92.

in hedendaagse spelling:
afdoen, afmaken, eindigen, volbrengen

AFDOEN, AFMAKEN, EINDIGEN, VOLBRENGEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 97.

in hedendaagse spelling:
afdoen, bijleggen, vergelijken

AFDOEN, BIJLEGGEN, VERGELIJKEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 97.

in hedendaagse spelling:
afleggen, afdoen, uittrekken

AFLEGGEN, AFDOEN, UITTREKKEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 118.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

afdoen
aandoen

bij andere sites:

synoniemen-sites:
Alexandria - Interglot - ONW - MijnWoordenboek
woordenboeken:
ANW - WNT - Van Dale Hedendaags Nederlands - WikiWoordenboek - puzzelwoordenboek
oorsprong:
etymologiebank
zinsverband:
context
vertalen:
naar het
overige:
Citaten - Wikipedia - Google

debug info: 0.0027 c