sparen

als woordenboektrefwoord:

sparen:
(gespaard),uitzuinigen; ontzien.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

sparen (ww):
beknibbelen, bewaren, bezuinigen, opsparen, opzamelen, opzij leggen, potten, uitsparen, verzamelen, zich ontzeggen
sparen (ww):
behoeden, ontzien, vrijwaren, zuinig omgaan met
sparen (ww):
besparen, bezuinigen, uitsparen
sparen (ww):
collectioneren, verzamelen

als synoniem van een ander trefwoord:

verzamelen (ww) :
accumuleren, bijeenbrengen, bijeengaren, bijeenrapen, bijeenroepen, collecteren, collectioneren, compileren, garen, innemen, inzamelen, opeenhopen, ophalen, ophopen, oppotten, opsparen, opstapelen, potten, rapen, samenbrengen, scharen, sparen, sprokkelen, vergaderen, vergaren, zoeken
bewaren (ww) :
behoeden, behouden, beschermen, conserveren, handhaven, houden, in stand houden, onderhouden, opbergen, preserveren, reserveren, sparen, verschonen, vrijwaren, zorgen voor
verenigen (ww) :
bijeengaren, bijeenkrijgen, bijeenrapen, collectioneren, compileren, ophopen, oppotten, opsparen, opstapelen, sparen, vergaren, verzamelen
vrijwaren (ww) :
behoeden, beschermen, beschutten, beveiligen, bewaren, dekken, preserveren, protegeren, sparen
bezuinigen (ww) :
beperken, besparen, economiseren, inkrimpen, ombuigen, sparen, terugdringen
besparen (ww) :
schrappen, sparen, uitsparen, uitwinnen, winnen, zich ontzeggen
behoeden (ww) :
beschermen, beschutten, bewaken, bewaren, sparen, waken over
eerbiedigen (ww) :
erkennen, gehoorzamen, naleven, ontzien, respecteren, sparen
uitsparen (ww) :
besparen, bezuinigen, economiseren, inwinnen, sparen
ontzien (ww) :
behoeden, niet aantasten, sparen, vrijwaren
beknibbelen (ww) :
bekrimpen, karig zijn met, sparen
opsparen (ww) :
bewaren, sparen, vergaren
verschonen (ww) :
sparen

woordverbanden van ‘sparen’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
ontzien, sparen, verschonen

Ontzien — sparen — verschoonen. Men ontziet uit eerbied, plichtbesef, vrees; men spaart om te behouden; men verschoont uit menschen-kennis, zachtmoedigheid, mededoogen of uit willekeur. Ontzie uwe meerderen. Spaar uwe krachten. Verschoon de onnadenkendheid der jeugd. Neptuin ontziet noch dijk, noch paal. De dood spaart niemand. De felle dood .... verschoont de oude lien. (Vondel).

in hedendaagse spelling:
sparen, besparen, oversparen, uitzuinigen, over leggen

Sparen — besparen — oversparen — uitzuinigen — over leggen. Iets niet gebruiken, teneinde er later genot van te hebben. Bij sparen en besparen (in fig. zin gebruikt) behoeft dit laatste nog niet altijd doel te zijn, b.v. spaar hem; dat verdriet heb ik hem maar bespaard. Sparen (in letterl. zin) zegt niets anders dan zuinig omgaan met iets, zoodat men overhoudt; bij besparen heeft men meestal eene bepaalde zaak op het oog, die men voor toekomstig gebruik wil bewaren. Oversparen ziet meer op het overschot, dat men door sparen verkrijgt. Overleggen drukt dit nog sterker uit; het onderstelt een overschot, dat men laat rusten om het in tijd van nood te gebruiken. Uitzuinigen is besparen door zich ontbering te getroosten. Door sparen kan men zijn kapitaal verbeteren. Van het loon, dat hij kreeg, wist hij altijd nog een stuivertje te besparen. Hoewel hij niet veel verdiende, heeft hij toch nog een aardig sommetje overgespaard. Een arm student weet soms meer uit te zuinigen, dan gij denken zoudt, om boeken te kunnen koopen. De man leeft zeer zuinig,want hij wil elk jaar wat overleggen voor den ouden dag. De rijkaard legt jaarlijks eene aardige som over.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
ontzien, sparen, verschonen

ONTZIEN, SPAREN, VERSCHOONEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, bladzijde 48.

in hedendaagse spelling:
sparen, besparen, oversparen, bezuinigen, uitzuinigen, uitsparen, ontsparen

SPAREN, BESPAREN, OVERSPAREN, BEZUINIGEN, UITZUINIGEN, UITSPAREN, ONTSPAREN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, bladzijde 170.

in hedendaagse spelling:
vrijpleiten, vrijdingen, ontlasten, verantwoorden, vergoelijken, verschonen, sparen

VRIJPLEITEN, VRIJDINGEN, ONTLASTEN, VERANTWOORDEN, VERGOELIJKEN, VERSCHOONEN, SPAREN

bron: Gerbrand Bruining - Nederduitsche synonymen (1836), band 2, bladzijde 396.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

sparen
besteden, uitgeven

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0029 c