zuinig

als woordenboektrefwoord:

zuinig:
bn. bw. (-er, -st), spaarzaam.

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

zuinig (bn) :
voordelig, economisch, spaarzaam
zuinig (bn) :
teleurgesteld, sip
zuinig (bn) :
gereserveerd

als synoniem van een ander trefwoord:

gierig (bn) :
zuinig, vasthoudend, hebzuchtig, krenterig, inhalig, vrekkig, schriel, profijtelijk, knijperig, schraperig, schraapzuchtig, pootvast, parcimonieus, op de penning, profijtig
karig (bn) :
matig, armoedig, schraal, gierig, weinig, zuinig, krap, spaarzaam, krenterig, sober, sobertjes, schriel, pover, stiefmoederlijk, parcimonieus
krenterig (bn) :
gierig, zuinig, karig, vrekkig, schriel, knijperig, schraperig, op de penning, knieperig
gereserveerd (bn) :
gesloten, afstandelijk, voorzichtig, koel, zuinig, aarzelend, terughoudend, omzichtig
schriel (bn) :
gierig, zuinig, spaarzaam, krenterig, inhalig, karig, vrekkig, schraperig
gereserveerd (bn) :
gesloten, afstandelijk, koel, zuinig, terughoudend, afzijdig, eenzelvig
voorzichtig (bn) :
bescheiden, onopvallend, zuinig, aarzelend, terughoudend, discreet
spaarzaam (bn) :
matig, voorzichtig, economisch, zuinig, karig, schriel
teleurgesteld (bn) :
zuinig, beteuterd, sneu, sip
kaal (bn) :
schraal, zuinig, sober

woordverbanden van ‘zuinig’ grafisch weergegeven

in Charivarius' Een Ander Woord (1945):

in Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922):

zuinig, spaarzaam

Niet verkwistend.

Zuinig duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven, of van iets niet meer te gebruiken, dan strikt noodig is. Men wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt of slijt, daar men anders te kort zou komen. Wie zes gulden per week verdient, moet zuinig huishouden. Ga zuinig met je houtskool om.

Spaarzaam is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of overhouden. Een spaarzame hand koopt anderlui's land. Een spaarzaam mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: Het vertrek was slechts spaarzaam verlicht.

in Nederduitsche synonymen (1836), band 1, blz. 103:

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 2, blz. 409:

matig, sober, zuinig

in Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 3, blz. 214:

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

zuinig
kwistig

woorden met een verwante vorm:

bijvoeglijk naamwoord

zie ook:

bij andere sites:

in het Verwarwoordenboek van Jan Renkema:
synoniemen-sites:
algemene woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband en voorbeeldzinnen:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0042 c