afstappen

als trefwoord met bijbehorende synoniemen:

afstappen (ww):
aftreden, opstappen, vertrekken, weggaan
afstappen (ww):
afdalen, afstijgen, uitstappen
afstappen (ww):
afzien, laten varen, opgeven

als synoniem van een ander trefwoord:

opstappen (ww) :
afstappen, ophoepelen, opkramen, optrekken, vertrekken, voortgaan, weggaan
weggaan (ww) :
afstappen, aftreden, scheiden
uitstappen (ww) :
afstappen, uitstijgen
aftreden (ww) :
afpassen, afstappen
afgaan (ww) :
afstappen, toegaan

woordverbanden van ‘afstappen’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aflaten, afstaan, afstappen, ophouden, uitscheiden

Aflaten — afstaan — afstappen — ophouden — uitscheiden. Eene handeling, waaraan men bezig is, niet voortzetten. Bij uitscheiden, dat minder in de schrijftaal gebezigd wordt, wordt meer opzettelijk dan bij ophouden te kennen gegeven, dat de afgebroken handeling niet hervat wordt. Aflaten en afstaan, bijna uitsluitend in dichterlijke taal in gebruik, worden meest gezegd van zulke handelingen, die als kwaad of althans als onaangenaam voor een ander worden voorgesteld. Vandaar dat zij veelal gebezigd worden in de gebiedende wijs of met de ontkenning. Afstappen van bezigt men gewoonlijk ten opzichte van een onderwerp, waarover men spreekt of schrijft, maar welks behandeling men verder wil laten rusten. Dappere edellieden .... staat af van uw roekeloos bestaan. Laat ons van dit onderwerp afstappen. Scheid uit met plagen. Houd op met werken. „Laat af van dit onnoozel schreiend."

„Groothartige Egmond laat niet af,
Zijn wakk're volgers aan te vuren."

in hedendaagse spelling:
afstijgen, afklimmen, afstappen, afzitten

Afstijgen — afklimmen — afstappen — afzitten. Van ruiters gezegd, die van hun rijdieren stijgen. Het eerste is de gewone uitdrukking; afklimmen, tenzij in poëzie gebruikt, veronderstelt een hoog rijdier en ziet op de moeite, die men heeft om er af te komen. De kleine jongen klom met moeite van het paard af. Afstappen wordt weinig meer van ruiters gezegd, en veronderstelt altijd, dat men op de plaats waar men afstapt, eenigen tijd vertoeven wil.

in hedendaagse spelling:
afstijgen, afklimmen, afstappen, uitstappen

Afstijgen — afklimmen — afstappen — uitstappen. Uit een rijtuig stappen. Afstijgen en uitstappen zijn de gewone uitdrukkingen, doch afstijgen is deftiger. Afklimmen veronderstelt een hoog rijtuig met veel treden. Afstappen is het rijtuig ergens verlaten, met het doel om er te vertoeven.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
afstaan, afstand doen, afstappen, afzien, overdragen, overlaten

AFSTAAN, AFSTAND DOEN, AFSTAPPEN, AFZIEN, OVERDRAGEN, OVERLATEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 135.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

zie ook:
afstappen van

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0015 c