afstaan

als trefwoord met bijbehorende synoniemen: niet gevonden.

als synoniem van een ander trefwoord:

geven (ww) :
aanbieden, aangeven, aanreiken, afgeven, afstaan, bezorgen, cadeau doen, leveren, schenken, toebedelen, toedienen, toesteken, uitreiken, verschaffen, verschenken, verstrekken, weggeven
overgeven (ww) :
afgeven, afstaan, afstand doen van, inleveren, opgeven, overdragen, overhandigen, overlaten, overleveren, prijsgeven, toevertrouwen, uitleveren
verliezen (ww) :
afstaan, kwijtmaken, kwijtraken, mislopen, verbeuren, verbeuzelen, verdoen, verklungelen, verknoeien, verlummelen, verspelen, zoekmaken
afgeven (ww) :
aangeven, afdragen, afleveren, afstaan, geven, inleveren, leveren, opgeven, overgeven, overhandigen, overmaken
overleggen (ww) :
afstaan, deponeren, fourneren, inleveren, overdragen, overhandigen, ter hand stellen, tonen, voorleggen
loslaten (ww) :
afstaan, losmaken, niet vasthouden, vrijgeven, vrijlaten, vrijmaken
verbeuren (ww) :
afstaan, kwijtraken, renonceren, verliezen, verspelen
overdoen (ww) :
afstaan, aliëneren, overdragen, overlaten, verkopen
overlaten (ww) :
afstaan, cederen, loslaten, overdoen, verkopen
opofferen (ww) :
afstaan, prijsgeven
cederen (ww) :
afstaan, overlaten
laten (ww) :
afstaan, overlaten
overdragen (ww) :
afstaan, delegeren

woordverbanden van ‘afstaan’ grafisch weergegeven

in het Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)*:

in hedendaagse spelling:
aflaten, afstaan, afstappen, ophouden, uitscheiden

Aflaten — afstaan — afstappen — ophouden — uitscheiden. Eene handeling, waaraan men bezig is, niet voortzetten. Bij uitscheiden, dat minder in de schrijftaal gebezigd wordt, wordt meer opzettelijk dan bij ophouden te kennen gegeven, dat de afgebroken handeling niet hervat wordt. Aflaten en afstaan, bijna uitsluitend in dichterlijke taal in gebruik, worden meest gezegd van zulke handelingen, die als kwaad of althans als onaangenaam voor een ander worden voorgesteld. Vandaar dat zij veelal gebezigd worden in de gebiedende wijs of met de ontkenning. Afstappen van bezigt men gewoonlijk ten opzichte van een onderwerp, waarover men spreekt of schrijft, maar welks behandeling men verder wil laten rusten. Dappere edellieden .... staat af van uw roekeloos bestaan. Laat ons van dit onderwerp afstappen. Scheid uit met plagen. Houd op met werken. „Laat af van dit onnoozel schreiend."

„Groothartige Egmond laat niet af,
Zijn wakk're volgers aan te vuren."

in hedendaagse spelling:
afstaan, afstand doen

Afstaan — afstand doen (van iets). Zijn bezit of zijne aanspraak opgeven, laten varen. Afstaan en afstand doen van iets worden door elkaar gebruikt. Men staat iets af aan een ander, die het voor een zeker doel kan gebruiken. Men doet er afstand van, wanneer men alle mogelijke aanspraken op iets laat varen, en aan een ander overlaat om het te gebruiken of niet. Ik wil u mijne kamer afstaan, mits gij er alles laat zooals het is. Hij deed afstand van alles wat hij had, en trok zich in een klooster terug. Hij doet er geen afstand van.

* De spelling in deze bron kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in overige bronnen*:

in hedendaagse spelling:
afstaan, afstand doen, afstappen, afzien, overdragen, overlaten

AFSTAAN, AFSTAND DOEN, AFSTAPPEN, AFZIEN, OVERDRAGEN, OVERLATEN

bron: Weiland & Landré - Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, bladzijde 135.

* De spelling in deze bronnen kan afwijken van de tegenwoordig geldende.

in de lijst met antoniemen (woorden met een tegengestelde betekenis):

afstaan
incasseren, krijgen, ontvangen, verkrijgen

bij andere sites:

synoniemen-sites:
woordenboeken:
oorsprong:
zinsverband:
vertalen:
naar het
overige:

debug info: 0.0022 c